Skip to content
Home » Artikelen » Aan protesten geen gebrek

Aan protesten geen gebrek

De stijd voor een kortere werkdag                                        

De bevrijding werd in Leeuwarden nog uitbundig gevierd. Praktisch de gehele bevolking was
op de been. Maar daarna raakte de stad in een dommel. Er werd weinig nog gevierd en nog
minder geprotesteerd. Zoals in bijna alle andere steden in ons land. Wanneer er al eens
betoogd werd, dan gebeurde dat heel ingetogen. Getuige de omschrijving die mijn van Dale
(de elfde herziene druk uit 1984) van een betoging geeft: “een optocht waarbij de
deelnemers zekere gevoelens te kennen geven, de aandacht op iets willen vestigen, iets
eisen.” Van agressie was geen sprake. Hoogstens stond er wel eens een onvertogen woord
op een meegevoerd spandoek. Maar die werd dan door de politie in beslag genomen.
Eventuele taalfouten in meegevoerde leuzen werden niet bestraft.
Het is dan ook opmerkelijk dat in 1951 een betoging in Leeuwarden, kneppelfreed, niet
alleen de provincie in rep en roer bracht maar ook landelijk voor beroering zorgde.
Die benaming zegt het al, de gummiknuppel kwam eraan te pas en zelfs nog een brandspuit
om de “zekere gevoelens” die verhit waren geraakt, af te koelen!
Na de Slag bij Warns in september 1345 liepen de Friezen op 16 november 1951 weer eens
te hoop tegen die arrogante Hollanders. Daarin slaagden twee krantenjournalisten Fedde
Schurer en Tsjebbe de Jong die hadden namelijk zeer kritisch geschreven over het arrogante
optreden van kantonrechter Wolthers uit Heerenveen. Die regent achtte zich beledigd door
de dierenarts S. van der Burg. Die verdedigde zich in het Fries en dat vond hij ongepast.
Beiden stonden terecht in Leeuwarden en buiten het gerechtsgebouw had een flinke groep
Fries zinnige sympathisanten zich verzameld die door de opgetrommelde politie uit elkaar
geslagen werd.
In overig Nederland was men danig onder de indruk van die emotionele uitbarsting. Want zo
was elders het image, het enige aan een Fries wat in vuur en vlam kan raken, zijn z’n
klompen. Er werd uitvoerig verslag gedaan van het oproer en later werd ingegaan op wat de
Friezen daartoe bewogen had. Verzet loont en het Fries werd uiteindelijk de tweede rijkstaal
in ons land.
Prof C. Gerretson bekend historicus, dichter en politicus hield in april 1952 in de Eerste
Kamer een betoog met als aanhef “Doch Rjocht”. Daarin stelde hij: “dat ik de oplossing der
Friese kwestie niet zie als een zaak van opportunisme, afhankelijk van ministeriele
grootmoedigheid of ambtelijke souplesse maar als en kwestie van recht. Dit recht is (-) een
natuurrecht; het omvat het recht eens volks, bestuurd, berecht en onderwezen te worden in
zijn eigen taal.” Het was een gloedvol pleidooi en het werd dan ook direct in Friesland
uitgegeven. Maar daarna is het in de vergetelheid geraakt. Er wordt nooit meer naar
verwezen of uit geciteerd.
Ondanks deze emancipatie is het Fries een bedreigde minderheidstaal. Het wordt veel te
veel doorspekt met Nederlandse woorden en uitdrukkingen. Er zijn pessimisten die zeggen
dat het Fries geen lang leven meer beschoren is. Daar ben ik niet zo van overtuigd. Ik denk
dat dit eerder het Nederlands overkomt. Dat is nu op sommige plekken in ons land en
binnen bepaalde groepen al afgezakt tot een patois van Hollands en Engels. Nog even en het
gebruik van Engels is overal geaccepteerd en dan verschrompelt het Nederlands heel snel.
Alleen op een voetbalveld zal dan nog hoogstens een oud Nederlandse krachtterm te horen
zijn. Maar dan zijn er nog steeds Friese stijfkoppen die onderling in het Fries communiceren.
Zoals bij elke geschiedbeschrijving is er ook een ongeschreven banalere werkelijkheid.
Bijvoorbeeld die van mijn broer. Hij was in 1951 leerling op de R.H.B.S die op het Zaailand,
scheef tegenover het gerechtshof zat. De vrijdagmarkt was net afgelopen en de
gemeentereiniging moest het plein nog schoonspuiten en het afval afvoeren. Zo waren

enkele dozen met overrijp fruit achtergebleven. Toen de politie verscheen om de orde die
toen nog niet verstoord was, te gaan handhaven, begonnen zij met dat rotte fruit te gooien.
Want ze vonden dat protest maar een tamme bedoening. Waarna de politie hardhandig
begon op te treden. Volgens mijn broer was het een suffe boel gebleven, als zij niet aan het
gooien waren gegaan. Nu zijn betogingen gebeurtenissen die uit de hand behoren te lopen.
In plaats van fruit gebruikt men zwaar vuurwerk. De agressie en de hang naar geweld bij de
meute is van begin af aan voelbaar.
Ik heb kneppelfreed als jochie gemist en was dan ook jaloers op mijn broer. Er gebeurde in
die tijd in Leeuwarden nooit spannende dingen zo vond je als puber. Er was alleen de
optocht van de geheelonthouders op Hemelvaartsdag – Blauwe Donderdag – waarin
duizenden onthouders uit de gehele provincie meeliepen. Het was allemaal uiterst
vreedzaam, eigenlijk vreselijk saai. Niemand had gedronken of zat onder de drugs. Deze
waardige toogdag is al heel wat jaren geleden gestopt.
Waar ik niet zo zeker van ben, was of er in mijn jeugd nog wel een 1 mei optocht werd
gehouden. Ik betwijfel het. Ook elders in ons land gebeurt dat niet meer. Mede omdat
Koninginnedag – 30 april – eraan voorafging en dat was een vrije dag. Eigenlijk klopte dat
niet, want koningin Juliana was ‘s nachts niet voor twaalf uur geboren maar vlak er na en
toen was het 1 mei! Een Koninginnedag op de Dag van de Arbeid dat is onvoorstelbaar. Dus
werd het echte tijdstip geheimgehouden. Pas op oude leeftijd durfde een betrokkene
tegenover mij het opgelegde zwijgen te verbreken.
Op het Tweede Internationale Congres te Parijs werd in 1889 door de aanwezige
arbeidsbewegingen o.a. besloten om wereldwijd een achturige werkdag na te streven. Om
met die eis indruk te maken zouden overal ter wereld op dezelfde dag grote arbeiders
manifestaties worden gehouden. Gekozen werd voor 1 mei en die dag zou “De Dag van de
Arbeid” heten.
Een achturige werkdag zorgde voor een natuurlijke indeling van de dag. Acht uur slaap, acht
uur werk en acht uur voor gezin en ontspanning. Van ouds was dat min of meer de indeling
die daarnaast beïnvloed werd door de jaargetijden met lange en korte dagen. Die verdeling
was met de industrialisatie en de invoering van het gaslicht – dat begon in 1798 in Engeland –
verlaten. Maar in 1854 was Australië er weer toe overgegaan en na de nodige strijd in 1863
in de VS. In Europa volgde in 1886 Duitsland, maar in vele andere landen was het nog lange
tijd een wensdroom, zo ook in Nederland.
1 mei was niet een willekeurig gekozen dag. Het was in vele landen namelijk verhuisdag, of
te wel bekend als “moving day” (een betere benaming dan de onze) in de VS waar dit
voorstel ook vandaan kwam. Op die dag liepen alle jaarlijkse contracten af waaronder de
arbeidscontracten en dat zorgde voor massale drukte en onrust. Zo heb ik een verordening
van de gemeente Amsterdam uit 1830 waarin die verhuisdag geregeld werd. Die viel niet
overal in ons land op 1 mei. In 1583 voerde Holland al de Gregoriaanse kalender in als
opvolger van de Juliaanse. Daarbij versprong de kalender 11 dagen. Maar Friesland en
Groningen voerden die pas op 1mei 1701 in. De Friezen hielden daarbij aan hun “Alde Maai”
– d.w.z. 11 mei – vast als verhuisdag en die bleef onder de Friese landarbeiders tot ver in de
twintigste eeuw in gebruik.
Ook in Nederland werd geestdriftig de Internationale gezongen en werd 1 mei benut om
betere arbeidsvoorwaarden te eisen. D. w. z. meer loon en arbeidstijdverkorting. In 1886
bedroeg het weekloon in de grafische sector fl. 6 per week. Een bedrag waarvoor je nu – om
in de grafische sfeer te blijven – nog geen krant kan kopen. Terwijl de grafici over het
algemeen beter betaald werden dan arbeiders in andere sectoren.

Van dat hongerloontje kon geen gezin rondkomen. Multatuli somt op wat de kosten van
levensonderhoud van een gezin, man, vrouw en drie kinderen waren. Bovendien was het
gezin dat hij als voorbeeld neemt, nog bevoorrecht want het had vrij wonen en vrije
brandstof.

Rijksmuseum, CC0, via Wikimedia Commons


Daaraan gaven ze per week fl. 5,77 uit. Er restte dan nog 23 cent voor kleding, schoeisel en
eventuele medische kosten. Wat Multatuli niet meenam, was dat ook de kinderen hoe klein
ook, meewerkten. In 1874 was de kinderwet van S. van Houten ingevoerd, die fabrieksarbeid
voor kinderen onder de twaalf jaar verbood, maar daarna was nog veel (heimelijk)
kinderarbeid blijven bestaan. Hoe weinig die ook verdienden, hun bijdrage was bitter nodig.
Er stond ook nog een post op van achttien cent op, het dubbele van wat er aan olie voor
verlichting werd uitgegeven. Dat was de wekelijkse bijdrage aan een begrafenisfonds. In
onze ogen een merkwaardige uitgave die het gezin extra belastte.
Maar in die tijd was het begraven “van de armen” d. w. z. door de gemeente voor de
arbeidersstand een grote schande en daar gingen nabestaanden diep onder gebukt. Een
begrafenis met alles erop en eraan gaf status. Waar je zelf weinig aan hebt, maar de
nabestaanden konden zo met opgeheven hoofd rouwen. Begraven kon in verschillende
klassen worden. Bij de laagste klasse was het een dooie boel, bij de hoogste een hele
vertoning.
Tot aan de Franse revolutie werd men door het gilde waartoe een werkman behoorde of op
de dorpen door zijn naburen begraven. Toen de gilden werden opgeheven was men
aangewezen op commerciële begrafenisfondsen. Dat waren er in die tijd van Multatuli meer
dan 430! Ze profileerden zich met afbeeldingen van doodskoppen, knekels, enz. en met
benamingen als: ”Het einde bekroont ons doel” en ” Zorg voor de dag die gij niet beleefd.”
Maar zich dood werken voor een mooie begrafenis vond niet iedereen een leuk vooruitzicht.
Men wilde ook wat aan zijn leven hebben en dat biedt vrije tijd. Grafici werkten in 1886 12
uur per dag. Zes dagen in de week en vaak ook nog op zondag. Daarnaast werd er veel
overgewerkt zodat er wel werkdagen van 15 a 16 uur voorkwamen. Overwerken kwam in de
grafische industrie veel voor en niet alleen in het krantenbedrijf. Er werd wel extra voor
betaald, dat wel.
Om langdurig overwerken te beperken werd in 1889 wettelijk vastgelegd dat een werkdag
niet langer dan 11 uur mocht zijn. Maar dat was niet alleen in de grafische sector een wassen
neus. Want net als nu werd er ook toen slecht gehandhaafd. Er was dus aanleiding genoeg
om actie te voeren en ook al ging het traag er werden verbeteringen afgedwongen
Tegen die lange werkdagen bestond veel verzet. Zo stond op 1 mei 1892 in het grafisch
vakbondsblad “Ons Vakbelang:”Dat bij een 12 tot 14 urige werkdag de typograaf geen tijd
overhield zijn geest te beschaven voor degelijke, gezonde lectuur, schone kunsten te
beoefenen, een toneelvoorstelling of concert bij te wonen (-) en al beoefenen wij een
kunstvak, toch zijn er velen onder ons die zich met een bekrompen denk- en
herinneringsvermogen moeten behelpen.” (Overgenomen uit ’t Schild der Solidariteit, een
uitgave van de FNV-pers 1994) Helaas, nu er veel korter en zelfs in deeltijd wordt gewerkt,
zijn wij er desondanks in denk- en herinneringsvermogen niet veel op vooruitgegaan. Wat
toen ondenkbaar was, is dat er tegenwoordig zo kort – in deeltijd – wordt gewerkt, dat dit in
onze economie problemen geeft.
In het streven naar een achturige werkdag liep de ANTB, Algemene Nederlandse Typografen
Bond, voorop. Zoals bij vele zaken. Ze ondervonden al vroeg de invloed van de overgang van
hand- naar machine – arbeid. De organisatiegraad bij de typografen was groot en ze stelden
zich ertegen te weer. Bovendien waren zij goed op de hoogte van wat er in de wereld

speelde. Ze lazen wat ze zetten en drukten. Daardoor beschouwden zij zich als een elite
verheven boven andere arbeiders. Verschillende leden waren er fel op tegen om in een 1
mei optocht mee te lopen voor een achturige werkdag. Vanwege het socialistische karakter
ervan.
In de grafische industrie werkten ook veel hulpvakarbeiders, waaronder vrouwen en
kinderen. Die hoorden er eigenlijk niet bij. Ze deden eenvoudig aanvullend werk. Vouwen,
vergaren dat is papieren om volgorde leggen enz. Toen mijn vader drukkers leerling was,
werden de machines al door een elektromotor aangedreven. Maar een oude drukkersgezel
vertelde hem dat dit voorheen gebeurde door oostgangers, d.w.z. afgeleefd mannen die uit
Indië waren teruggekeerd en hier in bittere armoe leefden. In het grote vliegwiel dat de
machine aandreef zat een gat waarin een kruk gezet kon worden en zo kon een oostganger
het vliegwiel ronddraaien!
Toen ik als puber door een slordige stapel papieren snuffelde, die betrekking hadden op
belevenissen van mijn vader, zat daartussen een vergeelde krantenfoto van een betoging die
in Leeuwarden was gehouden. Ik herkende de panden op de achtergrond en alle mannen
droegen een pet dus was het lang geleden. Ik vroeg hem wat dat voorstelde en waarom hij
die foto had bewaard.
“Het is een 1 mei optocht en als je goed kijkt, dan zie je dat ik een van die twee jongens ben
die dat grote spandoek dragen” zo legde hij uit. Het was een opvallend spandoek dat
gespannen aan twee stokken boven de menigte uit werd gehouden. In koeien van letters
stond er de leuze op: “Voor een achturige werkdag.” Dat mijn vader daar zo liep te
protesteren, wierp een totaal ander licht op hem.
Ik zei ook zoiets in die richting. Waarop zijn antwoord was dat hij in die betoging niet
meeliep als aankomend vakbondslid of als jong socialist, maar dat hij en zijn vriend door een
collega op het bedrijf waren gevraagd of zij een spandoek wilden dragen. Onder de betogers
waren er geen vrijwilligers te vinden. Ze zouden elk een gulden krijgen en dat was dik
verdiend want het was een zware klus. Het woei stevig en om dan zo’n spandoek
strakgespannen te houden zodat de tekst niet verminkt werd, viel niet mee. De volgende dag
had hij behoorlijk spierpijn. Het werd mijn vader duidelijk dat je beter leuzen kunt
schreeuwen dan uitdragen.
Zijn antwoord stelde mij zwaar te leur. Je hoorde een leuze te dragen uit overtuiging niet
voor geld, zo vond ik toen. Een stelregel die ik trouwens mijn hele leven heb aangehouden.
Maar voor mijn vader had ik wel een excuus. Ten tijde van dat spandoek was hij nog jong en
volledig gefocust op voetbal. Hij bracht het tot het Fries elftal en werd zelfs gevraagd om
tegen een vergoeding bij een grote club te gaan spelen. Ook toen werd het amateurisme al
ondergraven. Dat deed hij niet uit clubtrouw en kort daarop werd hij ondernemer. Lid van
een vakbond kon hij niet meer worden en op de politiek had hij het niet begrepen.
Wat ik mijn vader nooit heb verteld, is dat ik aan die krantenfoto wel een levensles
overhield. Namelijk dat je personen die fraaie leuzen (uit)droegen eerst kritisch moest
beoordelen, voordat je meeloper werd. Want zou daarachter niet een geldelijk motief of
eigen belang schuil kunnen gaan?

Leeuwarden 2023