Skip to content
Home » Artikelen » Een fossielige tijd

Een fossielige tijd

Herinneringen aan Geologie in Groningen

Douwe Keizer

Een fossielige tijd, dat is voor mij de periode waarin ik geologie liep. Geologie was voor het kandidaatsexamen sociale geografie een verplicht bijvak. Je moest daarvoor twee jaar lang drie uur in de week bij prof. Ph. H. Kuenen college lopen en daarnaast nog een stevige hoeveelheid verplichte literatuur doornemen. Lastig was dat één uur college op de zaterdagochtend werd gegeven. Van een vrije zaterdag was toen in Nederland nog geen sprake, maar heel weinig professor gaven toen nog college op zaterdagochtend. Zo niet Kuenen die de aanwezigheid een graadmeter vond voor de interesse van een student in zijn vak.      

Geologie werd niet onderwezen door zo maar iemand die uit de Groninger klei was getrokken, maar door een nationaal en internationaal gelauwerde geoloog. Hij nam vrij kort na zijn afstuderen als geoloog in Leiden in 1929/30 deel aan de eerste Snellius expeditie die onderzoek deed in de Ned. Indische wateren. Het was voor hem al zo vroeg in zijn carrière zijn finest hour. Hij zou zich daarna specialiseren als mariene geoloog. Voor die Snellius expeditie bestond grote belangstelling in Nederland en waarschijnlijk zorgde die ervoor dat hij in 1934 benoemd werd aan de universiteit van Groningen. In wat nog restte van de leerstoel geologie want die was – het waren de crisisjaren – net wegbezuinigd. Hij zou daar slechts college geven aan de studenten biologie. 

Meting tijdens de Snellius expiditie 1929-1931. Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures, CC BY-SA 3.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0, via Wikimedia Commons

Maar na de nodige wetenschappelijke publicaties werd hij lector en na de Tweede Wereldoorlog benoemd tot hoogleraar. Hij werd in 1946 benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en verkreeg eredoctoraten van universiteiten in Dublin, Exeter en Krakov. Hij verwierf voorts erelidmaatschappen van Britse, Zweedse en Amerikaanse genootschappen. Hij was bijv. lid van de American Academy of Arts and Science. In zijn boek: “De kringloop van het water”, dat ook in het Engels werd vertaald, werd de kringloop benadering geïntroduceerd die gangbaar is geworden. 

Maar na de nodige wetenschappelijke publicaties werd hij lector en na de Tweede Wereldoorlog benoemd tot hoogleraar. Hij werd in 1946 benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en verkreeg eredoctoraten van universiteiten in Dublin, Exeter en Krakov. Hij verwierf voorts erelidmaatschappen van Britse, Zweedse en Amerikaanse genootschappen. Hij was bijv. lid van de American Academy of Arts and Science. In zijn boek: “De kringloop van het water”, dat ook in het Engels werd vertaald, werd de kringloop benadering geïntroduceerd die gangbaar is geworden. 

Een wetenschapper van die statuur had een eigen koninkrijkje kunnen opbouwen. Met een instituut waar plaats was voor talrijke studenten en met een laboratorium waarin hij over voldoende apparatuur beschikte, om uitgebreid onderzoek te doen. Maar dat streefde hij totaal niet na. Integendeel, hij was ongelofelijk weinig eisend! Je kon bij hem niet eens afstuderen! Een student kon alleen kandidaatsexamen geologie afleggen. Dat deden jaarlijks hoogstens drie à vier personen, waarna die lastposten elders hun studie moesten afronden. Want ze belemmerden hem in zijn wetenschappelijk onderzoek. Misschien was hij zo zijn collega’s te slim af, want die waren veel tijd kwijt aan allerlei bestuurlijke en onderwijszaken.

Als geoloog had hij zonder veel kritiek langdurig door afgelegen berggebieden en dampige tropische wouden kunnen zwerven. Of congressen kunnen aflopen. Maar hij verbleef liever de gehele dag in het Geologisch – Mineralogisch Instituut waar hij een klein laboratorium had ingericht. Daar deed hij uiterst simpele proeven naar o.a. troebelingsstromen in zee. Zo primitief dat daarop hoogstens veronderstellingen vielen te baseren. Er verschenen van zijn hand in zijn Groninger periode maar liefst 180 publicaties en die trokken zeker de aandacht. Maar in de jaren dat ik in Groningen studeerde, was echter die stroom van publicaties al behoorlijk opgedroogd.  

Zo leefde hij een teruggetrokken bestaan in zijn laboratorium dat hij met kennelijke tegenzin verliet om college te geven. Een drukbezocht college, want ondanks zijn aversie tegen lesgeven was de collegezaal toch behoorlijk gevuld. Omdat er een groeiend aantal studenten biologie en sociale geografie – deze laatste studie was er pas in de vijftiger jaren bijgekomen – gingen studeren. Die tegenzin was trouwens wederzijds want ook de meeste van zijn toehoorders waren niet in geologie geïnteresseerd, maar durfden dat niet te laten blijken. 

Het ontzag van studenten voor hun professoren was toen nog zo groot, dat er alleen in de pauze en na afloop gekankerd werd. En dan nog binnensmonds. Waarom er zo gekankerd werd? Men vond het vak veel te zwaar en wat moest een bioloog of geograaf met die grote hoeveelheid kennis?

Hij gaf afstandelijk bijna ongenaakbaar college. Een betere omschrijving kan ik er niet van geven als ik afga op mijn herinnering. Maar zoals het een ware geoloog betaamt, behandelde hij zijn onderwerp wel uitermate grondig. En dan was er nog een grote hoeveelheid verplichte literatuur die doorgenomen moest worden. Maar een meevaller, zo vonden velen, was dat je niet met hem op excursie hoefde. Terwijl dat eigenlijk wel had gemoeten. Want bij die studie hoort aanschouwelijk veldwerk. Geologie kun je nu eenmaal niet vanuit een boek studeren.  

Dat had W. F. Hermans die geomorfologie gaf, beter begrepen. Bij dat vak was deelname aan een excursie verplicht. Dat hield toen in een week lang kriskras door het Limburgs heuvelland crossen met de geoloog van de Staatsmijnen, die toen nog volop in bedrijf waren. Die geoloog was de zoon van prof. Jan Romein de historicus. Hij draafde op gympies door de heuvels en langs steengroeves. De excursie leek zo meer op een duurloop. W. F. Hermans ging zelf niet mee dat liet hij aan zijn assistent over.

Wij moesten wel een verslag schrijven, dat hij zelf doornam. Met satanisch plezier riep hij de excursie gangers bij elkaar en leverde vervolgens sarcastisch commentaar op verscheidene verslagen. Zowel op de inhoud als op het Nederlands. Mijn verslag viel bij hem wel in goede aarde. Hij had slechts een enkele opmerking in de kantlijn geschreven. Jammer, vind ik nu, want een verslag met veel kanttekeningen was nu vast een collectors item geweest. 

Het morrende deel der toehoorders hoorde prof. Kuenen zonder veel enthousiasme aan en maakte ondertussen uitgebreid aantekeningen. Zoals gebruikelijk in die tijd waren wij muisstil. Ook als hij dia’s vertoonde. Zodat je door de duisternis later amper kon nalezen wat toen besproken had. De studenten droegen – om maar even in een kleinigheid het verschil tussen nu en vroeger te illustreren – gepaste kleding. Die bestond uit een colbertjasje en een das. Onder het colbert kon – als het bijvoorbeeld koud was – alleen een pullover gedragen worden. Want die das moest zichtbaar zijn. Van menig student was de knoop van de das vettig geworden, omdat die knoop langdurig gehandhaafd bleef. Immers met een slaperige kop ’s morgens haastig nog je das knopen kostte te veel tijd.   

Dat wij ’s morgens gepast gekleed aanwezig mochten zijn bij het college van een nationaal en internationaal gerespecteerde professor, werd door de meeste toehoorders niet als een voorrecht gezien maar als een verplicht corvee. Daarnaast moest je voor het tentamen ook nog een flinke berg literatuur doornemen die bestond uit de handboeken van de bekendste Nederlandse geologen uit de twintigste eeuw zoals prof.  B. G. Escher en prof I. M. van der Vlerk die deze al of niet in vereniging met hem hadden geschreven. Want prof. Kuenen mocht misschien een beminnelijk man zijn, maar als het over geologie ging, vergde hij veel van zijn studenten. 

Een apart onderdeel van de geologie was paleontologie, de studie van fossiele resten in de aardbodem. Naast een aantal uren college moesten wij daarvoor van der Vlerk en Kuenen: “Logboek der aarde” bestuderen. Het bevatte o.a. een opsomming van de belangrijkste gidsfossielen waardoor je bepaalde tijdperken kon dateren en natuurlijk de omschrijving van de verschillende dieren die daarin geleefd hadden. Het was een kwestie van Latijnse namen stampen. Die je op het tentamen beslist niet kon verhaspelen. Daar kon hij slechte tegen.

Ammoniet, gidsfossiel voor periode Devoon tot het krijt. Wilson44691, Public domain, via Wikimedia Commons

Zo mocht je de Jura, niet alleen een geologisch interessant plooiingsgebergte op de grens van Frankrijk en Zwitserland maar ook een belangwekkend geologisch tijdvak, niet uitspreken als Zjura maar als Jura. Hij had ons er tijdens het college al op gewezen dat hij die uitspraak hoogst irritant vond. Wie dat tijdens een tentamen per ongeluk toch nog deed, kwam dat op een terechtwijzing te staan. Volgens hem deden dit vooral Groningers die hun Nederlands toch al met een zwaarmoedig accent spraken en die meenden ook nog de Franse taal te pas en te onpas te kunnen verhaspelen. Wij moesten dus op onze woorden letten en dan vooral op die ene. Sinds Jura geïdentificeerd wordt met Jurassic Park bezondigen zich daar geen misplaatste Francofielen meer aan.

Geologie en daarin opgenomen paleontologie werd als een zwaar vak beschouwd. Voor geologie zakken en pas na drie maanden of langer een herkansing krijgen, was een ernstig oponthoud. Althans voor studenten die zo snel mogelijk wilden afstuderen om daarna voor de klas te kunnen gaan staan. Geologie kon ook sommige studenten in verwarring brengen. Onder geografen waren verscheidene christelijke studenten. Soms zo orthodox dat in hun groepering de evolutietheorie verworpen werd en geloofd werd in het scheppingsverhaal. Om dan toch een tentamen geologie af te leggen moest hen moeilijk vallen. Althans dat denk ik.

Een gereformeerde jaargenoot merkte eens op dat het vak geologie hem ervan overtuigd had dat het anders zat, dan wat zondags geloofd werd. Maar hij wou geen breuk met zijn ouders of verloofde op het dorp en liet hen onkundig van wat de geologie hem bijbracht. Een andere – een geestelijke vakkenvuller – zei dat hij geloof en wetenschap strikt gescheiden hield.  Over beide dacht hij niet na.   

Aan dat gemor en getwijfel deed ik niet mee. Geologie fascineerde mij. Vooral de tektoniek. Het je voorstellen hoe immense krachten in de aardkorst werkzaam zijn. Wat dat voor uitwerking had op het aardoppervlak en hoe vervolgens de eroderende krachten van water, ijs en wind dat moduleerden. Nadat ik de colleges anderhalf jaar had gevolgd, overwoog ik om te switchen naar geologie. Ik sprak toen een oud student geologie die mij als goede raad gaf om dan direct Groningen te verlaten en niet mijn kandidaatsexamen bij prof. Kuenen afleggen omdat ik elders allesbehalve hartelijk ontvangen zou worden. Afgunstige professoren zagen je als een afdankertje van Kuenen dat hij hen zo mooi in de maag splitste. Of het nu kwam door het vooruitzicht ongewenst te zijn of door andere overwegingen, maar ik zag ervan af.

Achteraf bleek het een goed besluit te zijn geweest. In de jaren daarna veranderde het vak volledig. Het verloor zijn romantiek, Gelogen struinden niet langer oerwouden en zeeën af op zoek naar olie, maar gingen op kantoren luchtfoto’s bekijken.  Mijn fascinatie is echter gebleven. Ik keek in het buitenland altijd naar het landschap en probeerde mij voor de geest te halen hoe het gevormd werd. Ook nam ik altijd wel enkele stenen mee.  

Toen onze kinderen klein waren, zijn wij tijdens twee vakanties in Duitsland o.a. naar een plek gegaan waar je fossielen mocht delven. Je betaalde voor een toegangskaartje en kreeg daarbij een geologie hamer, die je later weer moest inleveren. Het sedimentgesteente was dermate gelaagd dat het vrij gemakkelijk los gebikt kon worden. Onze kinderen vonden het een attractie en wij vertrokken met een flinke hoeveelheid platen met daarin afdrukken van kleine weekdieren.

De geologie heeft mij niet alleen meer inzicht gegeven in wat zich in onze aardkorst afspeelt, maar ook er op. Achter prof. Kuenen hing in de collegezaal een grote wandkaart waar hij bij een college paleontologie naar verwees.  Op de horizontale as stond het tijdsverloop in miljoenen jaren aangegeven en op de verticale een aantal diersoorten. Als een soort in een bepaalde periode nieuwe varianten ging ontwikkelen dan verbrede de lijn zich. Wat nu frappant was, was dat sommige lijnen opzwollen tot een bolletje om vervolgens volledig te verdwijnen of terug te vallen tot een heel dun lijntje. Dat opzwellen was dus geen gezonde expansie, zo lichtte prof. Kuenen toe, maar een voorbode voor een catastrofe. Alsof die soort zich bewust was van de dreigende verandering in hun leefmilieu of van een ongelijke concurrentiestrijd met andere soorten en daarop angstig reageerde door het ontwikkelen van allerlei varianten om zo aan de dreigende ondergang te ontkomen. Zo’n bolletje maakt die soort geschikt om als gidsfossiel te dienen. Er kon een tijdperk mee gedateerd worden. Die gidsfossielen moesten wij bij naam kennen en herkennen. De enige soort die ik na al die jaren heb onthouden is die der trilobieten, de geleedpotigen.          

Die kaart is mij altijd bijgebleven. Wanneer ik te maken kreeg met allerlei plannen van ondernemingen en instellingen. Sommige waren beslist de moeite waard en verdienden je steun. Maar er werden ook plannen gepresenteerd onder het etiket van innovatief, creatief, vernieuwend en wat voor opgewonden benamingen er nog meer bedacht waren. Maar dankzij de trilobieten besefte ik dat het slechts stuiptrekkingen waren. Aanwijzingen voor een naderende ondergang. Dankzij die wandkaart was ik gewaarschuwd om kritisch te zijn tegenover allerlei plannenmakers, expansieve ondernemingen en politici.

Wat ik voorts aan die kaart en aan de paleontologie ook overhield, was toen al een besef van vergankelijkheid. Van de voortdurende strijd tussen allerlei levensvormen. Een besef dat versterkt werd toen ik ruim twintig jaar later de verzamelde werken van Charles Darwin aanschafte. Zijn “Oorsprong van de soort” werd al kort nadat deze in Engeland verschenen was, in het Nederlands vertaald. Dat gebeurde door T. C. Winkler een paleontoloog die in Leeuwarden geboren was. Daarna werden al zijn andere werken zorgvuldig vertaald. Ik raakte onder de indruk van zijn diepgaande wijze van onderzoek. Hij correspondeerde met allerlei personen wereldwijd om gegevens te verkrijgen. Daartoe in staat gesteld door het vermogen van zijn vrouw. Zij was namelijk een Wedgwood van het aardewerkconcern.

De mens is tot nog toe de hoogst ontwikkelde levensvorm maar staat zij daarmee aan het einde van de evolutie? Zou de mens als diersoort niet eens kunnen uitsterven? In die tijd dacht je aan het uitbreken van een kernoorlog. Wij studenten leefden toen in de tijd van de koude oorlog en door misverstand of een te hoog opgevoerde oorlogshitserij had best een kernoorlog kunnen uitbreken. Uitsterven kan, zo dacht ik als student, ook door virussen die niet meer te bestrijden zijn. Waarna een nieuwe glorie periode voor een andere diersoort aanbreekt en wij voor hen als gidsfossiel zouden dienen. Om als menselijke soort te eindigen als een trilobiet. Je moet jong zijn om aan dat soort intellectueel doemdenken te kunnen doen en opgewekt verder gaan met leven. Terwijl de ouderdom je in permanente staat van bezorgdheid houdt. Zelfs al door kleinigheden.

Met oude geschiedenis was geologie een gevreesd vak. Bij oude geschiedenis moest je een enorme hoeveelheid namen en jaartallen kennen. De gangbare opvatting onder studenten was, dat je daarvoor niet ouder dan drieëntwintig jaar moest zijn. Daarna was je te oud voor een dergelijke belasting van je geheugen, want je hersens waren niet meer in staat om in een betrekkelijk korte tijd zo’n hoeveelheid feitenkennis op te slaan die je bovendien elk moment paraat moest hebben. Oude geschiedenis confronteerde je met beginnend geheugenverlies. Om dat allemaal in je geheugen te stampen moest je al ruim drie maanden van tevoren beginnen met dagelijks jaartallen en namen te oefenen. Daarbij maakte je als geheugensteun gebruik van P.J. Reimer: Prisma woordenboek der klassieke oudheid.

Maar alleen kennis van die 180 bladzijden was nog niet genoeg. Oude geschiedenis werd gegeven door prof. Elisabeth Visser, een schat van een vrouw, die zo haar stokpaarden had en je daarover ondervroeg. Maar zij had toch algauw medelijden met een student als die niet direct de Peloponnesische oorlog kon dateren en de personen die erbij betrokken waren. Ze gaf je dan tijd om goed na te denken. Ik heb bij haar nog thuis op een zaterdagochtend tentamen gedaan. Het tentamen had toen veel van een koffievisite waar wij genoeglijk kletsten over de misdragingen van allerlei Griekse helden. Ik denk nog met veel warmte aan haar terug.

Zo belastend was paleontologie niet maar je moest wel de Latijnse namen van allerlei beesten en beestjes zonder haperen kunnen noemen. Die moest je er dus goed instampen. Prof. Kuenen was beslist niet een man die studenten graag liet zakken, maar begrip voor kandidaten die bijvoorbeeld de verschillende ijstijden niet wisten te benoemen, of een brontosaurus over het hoofd zagen, had hij niet. Hij vond dat wanneer iemand geologie had gevolgd, deze een grondige kennis van dat vak moest bezitten en daaraan schortte het nogal eens bij studenten die haast hadden. Dat waren niet de luie studenten, maar studenten die de route van middelbare school leerling naar leraar zo snel mogelijk wilden afleggen. Sommigen waagden het erop maar die had met oppervlakkige kennis een flink portie geluk nodig om niet te zakken.

Maar je kon ook zakken voordat een eerste vraag gesteld werd. Professoren konden zich in mijn studietijd nog buitenissig gedrag veroorloven en enkelen deden dat ook met kennelijk genoegen. Het werd door universiteitsbestuur geaccepteerd en door de studenten verdragen. Die waren toen immers nog volstrekt machteloos. Maar dat zou kort na mijn afstuderen – het was toen 1965 – veranderen. Enkele professoren waren echte excentriekelingen waarover allerlei anekdotes de ronde deden, zoals prof. Herman Jan Scheltema en prof. Dr. Jan Pen.  Prof. Scheltema was een legendarisch figuur. Ik heb ergens in mijn bibliotheek een boekje vol anekdotes die over Scheltema de ronde deden. De ene nog grappiger dan de andere. Waarmee verhuld werd dat hij, professor Romeins Recht, een uitnemende rechtsgeleerde was. Dat boekje kan ik niet vinden, misschien is het bij de laatste verhuizing verloren gegaan. Ze dateren eigenlijk allemaal uit de periode voor de jaren zestig van de vorige eeuw. De periode waarin de universiteit nog een elitaire enclave was.

Eind jaren zestig voltrok zich echter een omwenteling. Studeerden daarvoor hoofdzakelijk zoontjes van rechters, dokteren en advocaten aan onze universiteiten, vanaf die tijd verschenen er ook in groten getale de zonen van middenstanders. Wier gelederen al gauw werden aangevuld met kinderen uit de arbeidersklasse. Zo overspoelde een vloedgolf van studenten en studentes de universiteit. De mores die golden, accepteerden zij niet. Ze waren gedrevenen, ze wilden snel afstuderen om aan een carrière te beginnen. Of anders de wereld te hervormen. Terwijl menig elite student – ik overdrijf hier wel behoorlijk maar ik heb ze nog wel in enkele vakken aangetroffen –zijn studietijd beschouwde als een leerzame periode en niet alleen wat studeren betreft. Ze namen hun studie lang niet altijd serieus en haast hadden ze ook niet. Daarna wachtte hen immers een gespreid bedje. Maar met die studentikoze studenten verdwenen ook de kleurrijke professoren.

In 1958 – het jaar dat ik aan mijn studie begon – was het nog vanouds Wel tekende de komende vloedgolf zich al af. Er schreven zich toen 26 studenten in voor de studie Sociale Geografie. Terwijl in de jaren daarvoor het aantal rond de vijftien schommelde. Dit aantal zorgde voor lichte paniek, want daarop was de organisatie niet berekend. Misschien zocht men de oplossing in een ontmoedigingsbeleid want na ruim een jaar was dat aantal al geslonken tot de helft. Van die reductie ging geen afschrikwekkende uitwerking uit, want het jaar daarop waren het er meer en daarna nog meer. Niet alleen bij sociale geografie maar in alle vakgroepen.

Buitenissige was ook prof. Jan Pen. Hoogleraar in de staatshuishoudkunde en de leer der openbare financiën. Schrijver van bijzonder verhelderende boeken en artikelen over economie. Toen hij wellicht bezig was daaraan te schrijven, kwam de politie zijn inspiratie verstoren. Een overbuurvrouw had de politie gebeld want zij was erg geschokt geraakt. Zij had uitzicht op een naakte man die op zijn balkon liep te ijsberen en dan weer achter een typemachine ging zitten. Hij had de politie dus wat uit te leggen. Wie doet nu zoiets? Om zo een boek te schrijven? Dat niet pornografie maar economie bevatte? Hij kwam er met een korte preek vanaf. 

W. F. Hermans heeft hem in zijn boek: “Onder professoren” onder de benaming Tabe Pap ten tonele gevoerd. Waarin hij – gehuld in een monnikspij die hij beschouwde als een passende vrijetijd dracht – een klein gezelschap academici naar de enige pornoclub van Groningen leidde. Voor wat naakt studie. Maar wat is hier Dichtung en wat is Wahrheit?

Prof. Pen die vaak thuis tentamens afnam, had daarvoor een speciale stoel aangeschaft, een vlinderstoel. Voor een studente was het onmogelijk om daarin te gaan zitten zonder veel been te vertonen. Er waren studentes die dan juist zeer korte rokjes droegen. Om Pen, een toegewijde volgeling van John Maynard Keynes, tijdens het tentamens van het multipliereffect af te leiden.  

Een student zou ’s morgensvroeg tentamen afleggen. Dat hoefde niet in zijn vlinderstoel en zou op het instituut gebeuren. Prof Pen was dat echter vergeten en vroeg hem bits wat hij kwam doen. “Ik moet om negen uur tentamen bij U afleggen” stamelde de student wiens tentamenangst er door die ontvangst niet minder op werd. “Was dat dan afgesproken?” snauwde Pen. Dat bleek bij raadpleging van het secretariaat inderdaad het geval te zijn.

Pen zat er mee in zijn maag, want hij had die ochtend een afspraak in Den Haag. Het afleggen van het tentamen uitstellen bracht de student in ernstige planningsproblemen. “”Nou, zei Pen, rij maar met mij mee, dan neem ik je onderweg wel tentamen af.”  Midden op de Afsluitdijk zei Pen: “ik vind uw kennis en inzicht onvoldoende, U bent gezakt.” Hij stopte en verzocht de verbouwereerde student om uit te stappen. Vervolgens reed Pen door en de student moest maar zien hoe hij liftend terugkwam in Groningen. 

Ook prof. Kuenen had een speciale stoel om tentamens in te doen die diende niet om zijn inzicht in anatomie te vergroten maar om hem wat op te vrolijken. Het was namelijk een ouderwetse klapstoel met een gebruiksaanwijzing.

Belangrijk voor het zelfvertrouwen was dat je een bemoedigende entree had. Meelevende hoogleraren probeerden je op je gemak te stellen en boden je soms een sigaret aan. Zoals bij een soldaat voor het vuurpeloton. Anderen lieten dat na. Die kenden geen mededogen. Zo ook hij. Na slechts een stuurse knik als welkom gebaar kon je op die klapstoel plaats nemen. Terwijl hij vorsend achter zijn bureau troonde. Tenminste zo leek het.

Waar ouderejaars je voor waarschuwden, was dat je niet op het puntje van die stoel moest gaan zitten, want dan klapte die in elkaar en belandde je op de grond. Tot groot genoegen van hem en zijn fossielen. Zo was je voordat het tentamen begon al gezakt. Je moest dus achter in de stoel stevig tegen de leuning plaats nemen. Zodat er niets te lachen viel. Maar er waren altijd nog kandidaten die dat vergaten. Die konden de stoel en zichzelf oprapen en vervolgens aan het tentamen afleggen beginnen.  

Je kunt er nog psychologiseren over waarom daar een klapstoel stond en geen stevige stoel. Ik ben ervan overtuigd dat het niet bedoeld was om een student te vernederen. Ik denk dat de stoel er stond om te illustreren dat de aanwezigheid van de student vluchtig was. Hij mocht even aanwezig zijn, maar moest dan zonder verder gedoe weer wegwezen. Het enige wat deze uitleg niet verklaart, is de vrolijkheid van prof. Kuenen. 

Om je kennis te testen ondervroeg hij je grondig waarbij hij vaak een onderwerp aansneed dat hij zaterdagochtend behandeld had. Dat ene uur college op zaterdag was niet erg populair. Een deel van zijn studenten ging het weekend naar huis, terwijl veel van de overblijvers – vrijdag was toen nog de uitgaansavond – leden onder een ernstige kater die hen verre hield van geologie. Het aantal toehoorders was dan ook minder dan de helft van dat op dinsdag. Uiteraard ontging hem dat niet en dat irriteerde hem. Hoewel ik weleens last van een kater had en dus ontbrak, vroeg hij mij net naar een onderwerp waarvoor ik wel die zaterdag uit mijn bed was gekomen. Ik slaagde dan ook met genoegen zoals dat toen heette.

Elke kamergeleerde is wereldvreemd. Dat gold ook voor prof. Kuenen. In 1961 was hij rector magnificus en terugkijkend op zijn vakgebied maakte hij van zijn oratie gebruik door een aanval te openen op de fysische geografie. Een veel te oppervlakkig vak dat desondanks met zijn expansiedrift het werkgebied van de geologie bedreigde. Zo gaf hij aan dat hij het met de benoeming van Willem Frederik Hermans enkele jaren daarvoor oneens was. Die reageerde daarop door hem in een verhaal af te schilderen als een zonderling, als een schim die door de gangen van zijn instituut doolde. Hermans trof daarmee doel, want prof. Kuenen trok zich dit vileine artikel heel erg aan.

Die aanval was niet nodig want W. F. Hermans miste elke expansiedrift. Hij liet het bij een boek: “Erosie” en beperkte daarna zijn aanwezigheid op het instituut tot hoogstens één dag in de week. Zo hield hij genoeg tijd over om o.a. “Nooit meer slapen” te schrijven. Prof. Kuenen mocht dan een schim zijn, Hermans was op het Geografisch instituut een onzichtbare man.

Trouwens na 1967 werd die karikatuur van Hermans werkelijkheid. Toen overleed de echtgenote van prof. Kuenen en raakte hij totaal van slag. Publiceren deed hij niet meer en ook het laboratoriumonderzoek schoot erbij in. Hij werd een dolende ziel om het literair te benoemen.

In 1961 werd de ontdekking van het aardgasveld in Slochteren publiekelijk bekend. Ik heb mij later afgevraagd waarom prof. Kuenen daarop toen of in de jaren daarna niet gereageerd heeft. Die ontdekking moet voor hem toch hoogst interessant zijn geweest en hij had de Groninger buitenwereld kunnen waarschuwen voor de negatieve effecten ervan. Hij was een geleerde met een internationale reputatie en zijn waarschuwing had zeker de aandacht getrokken. Maar hij zweeg. Omdat hij het risico niet zag? Dat betwijfel ik. Of omdat hij de nauwe band tussen de geologie en de oliemaatschappijen niet wou verstoren? Het blijft raden.

Hij had daarmee de Groningers een grote dienst bewezen. Al hadden die toen waarschijnlijk niet naar hem geluisterd. Er heerste in Groningen een bestuurlijke euforie. Alle aandacht was erop gericht om van al die miljarden, die het gas opleverde en wat dat betreft kon er niet genoeg worden opgepompt, een graantje mee te pikken. Groningen rekende zich al rijk! Maar Groningen werd met een fooi afgescheept en die gaven zij vervolgens aan onwezenlijke plannen uit.

De Groningers zijn nu terecht woedend op Den Haag, die te laat en te weinig aandacht heeft voor de ellende die de gaswinning hen nu brengt. Het Groninger bestuur en bevolking mogen zichzelf ook wel verwijten maken. Zij hadden zich toen moeten bezinnen op wat eventuele schadelijke gevolgen konden zijn. Misschien had een waarschuwing van prof. Kuenen ertoe kunnen leiden dat met toekomstige schade al rekening werd gehouden. Dat er een provinciaal fonds kwam waaruit die vergoed kon worden.

Prof. Kuenen had zo ook zichzelf een dienst bewezen. In 1968 stelde de minister een commissie in voor: “Herstructurering van de studierichting der aardwetenschappen.” Reden was het geringe aantal studenten aan de vier openbare universiteiten. Daarachter stak natuurlijk de ware bedoeling, bezuinigen. Deze commissie bestaande uit drie deskundigen stond onder leiding van prof. Dr. D. J. Doeglas hoogleraar in de aardkunde, delfstofkunde en gesteenteleer aan de Landbouwhogeschool Wageningen. Die commissie kwam tot de conclusie dat die vier studierichtingen moesten worden samengevoegd en Utrecht zou de vestigingsplaats worden. De VU in Amsterdam en ook Wageningen bleven buiten schot.  Daar in Amsterdam gaven ze christelijke en in Wageningen agrarische geologie. Waarom er voor Utrecht gekozen werd, kan ik niet achterhalen. Maar daar was die Doeglas bijzonder hoogleraar sedimentologie! Je hebt zo je vermoedens.

Leiden, Groningen en Amsterdam zouden dus opgeheven worden. Toen prof. Kuenen dat rapport onder ogen kreeg, reisde hij spoorslags naar Den Haag om belet te vragen bij minsister G. H. Veringa. Het werd een emotioneel bezoek waarbij hij hem zijn twee hoogste buitenlandse onderscheidingen voor zijn wetenschappelijk werk toonde. Maar wetenschappelijk verdiensten, trouwens geen enkele verdienste, maakt op Nederlandse politici indruk. Hij had de publiciteit moeten zoeken. Publiciteit is een probaat middel om de aandacht van een politicus te krijgen. Onderscheidingen niet.

Hij had ook een overtuigend argument om de studie geologie juist in Groningen te vestigen. Er werd in het Noorden zowel ter land als ter zee volop geboord. Groningen was een veel betere vestigingsplaats voor de opleiding geologie dan Utrecht. Een gebied waar zich een ongekende geologische ingreep voltrok. Terwijl op de Utrechtse heuvelrug zowel boven- als ondergronds niets gebeurt. Een geologisch instituut in Groningen had als waakhond kunnen fungeren. Maar misschien wou men dat in Den Haag juist niet. Mogelijke criticasters hou je op afstand.     

Prof. Kuenen beschikte, zowel politiek als ambtelijk niet over connecties in Den Haag. Hij bezat geen netwerk dat media-aandacht kon oproepen. Hij zweeg en door alle emoties en ondergane onrecht overmand, stortte hij in. Hij ging in 1972 in alle stilte met emeritaat en overleed in 1976.

Op Eerste Kerstdag 1986 trof de eerste aardbeving Groningen.

Leeuwarden 2012.