Skip to content
Home » Artikelen » Een leesbare handleiding

Een leesbare handleiding

…en hoe je daarmee de wildernis overleefde

De tijd van het simpele handwerk ligt ver achter ons. Allerlei apparaten nemen ons nu het werk uit handen. Het gemak dient de mens, maar o wee als er storing is. Zoals bij de magnetron bijvoorbeeld. Als die weigert, mis je wel je warme maaltijd. De culinaire kant en klaar maaltijd uit de supermarkt, soms meer voedzaam dan smakelijk. Overhaast raadpleeg je de handleiding die ettelijke pagina’s beslaat. Ik heb eens gelezen dat in de VS in zo’n toelichting nadrukkelijk te lezen staat dat het apparaat uitsluitend gebruikt mag worden om maaltijden op te warmen.  Een overbodige mededeling zo zou je denken, maar het schijnt in de VS voor te komen, dat men de natte kleren erin droogt of zelfs de natte kat. Maar misschien is dat wel een broodje aap.  Gelukkig is in ons land een kat nog veilig voor zo’n behandeling.

De handleiding bij de magnetron omvat maar enkele bladzijden, bij een auto is dat anders. Een moderne auto zit vol met allerlei snufjes. Overbodig als je op leeftijd bent en je alle aandacht op de weg gericht moet houden. Maar het betekent wel, dat er bij de auto een handleiding zit die een paar honderd bladzijden beslaat. Die is nodig om je duidelijk te maken hoe alles functioneert en wat er fout gaat als er op het dashboard een lichtje gaat flikkeren.

Toen ons dat onderweg overkwam, zochten wij snel een parkeerplaats op en begon ik geïrriteerd aan het raadplegen van de handleiding die veel meer pagina’s besloeg dan een bundel verhalen van Simon Carmiggelt. Maar die lees je ontspannen, terwijl je bij deze tekst gestrest raakt. Ik had het graag aan mijn echtgenote overgelaten, maar traditioneel moet een man verstand hebben van techniek. Zo ben je als man slachtoffer van seksisme. Bij de jongere generatie speelt dat gelukkig niet meer. Ik overwoog nog even of ik hiermee een wegenwachter van de ANWB kon belasten, maar die is er voor reparaties en niet voor tekstverklaring. Er zat niets anders op dan er doorheen te ploeteren. 

Wie denkt dat zulke uitgebreide handleidingen een verschijnsel van deze tijd zijn, heeft het mis. Zo bezit ik een pocket, waarin uitgebreid wordt beschreven hoe je niet alleen een huifkar repareert, maar ook tijdens een rit door de wildernis allerlei gevaren kunt vermijden. Het is The Pairie Traveler en wordt aangekondigd als: “The Best – Selling Handbook for America’s Pioneers.” 

De auteur is Randolph B. Marcy een kapitein uit het Amerikaanse leger die als militair jarenlang het Wilde Westen had doorkruist.  Deze gids van bijna drie honderd bladzijden verscheen in 1859 en is uitgegeven door het Ministerie van Oorlog en staat tjokvol aanwijzingen en waarschuwingen.  Hij is bijna net zo dik als die handleiding voor mijn auto, maar die voor een huifkar is veel leesbaarder. 

Die uitgave door het Ministerie was een blijk van onvermogen. Het leger en dat was uitsluitend de cavalerie was weliswaar al in het Wilde Westen aanwezig, maar was in dat enorm grote gebied slechts op enkele plaatsen in garnizoen gelegerd.

Dat leger bestond uit arme blanken uit het Zuiden van de VS en in meerderheid uit jeugdige Duitse emigranten die na aankomst in de VS uit arren moede maar tekenden als militair. Daar kregen ze algauw spijt van. Veel militairen die gestationeerd werden in het Wilde Westen deserteerden dan ook en het kwam voor dat een garnizoen binnen een jaar al een derde van zijn manschappen had zien vluchten. Uiteraard deden ze dat vooral naar Californië.

Het leger was derhalve niet bij machte om doortrekkende pioniers te begeleiden en te beschermen.  Onderweg ging er nogal wat mis omdat men niet besefte wat zo’n tocht inhield. Verscheidene pioniers stierven door ziekte, uitputting of ongelukken en zelfs een hele expeditie van ruim vijftig man overleefde een winter in de Rocky Mountans niet.  Maar daardoor lieten al die goud- en gelukzoekers zich niet afschrikken. Californië met zijn goudvelden en zijn milde klimaat trok een stroom goud- en gelukzoekers aan  waarvoor een trektocht door het Wilde Westen de snelste route was en die je met vrouw en kinderen kon afleggen. .

 Het was een tocht van maar liefst ruim 1500 mijl. Ter vergelijking dat is per auto de afstand van Amsterdam naar Gibraltar of naar Thessaloniki. Maar dan rijdt men over verharde wegen en niet door een wildernis met rivieren die overgestoken moeten worden, met gedeeltes die een zandwoestijn waren en met vijandige indianen die hen konden overvallen.

Deze landverhuizers en begonnen aan de tocht na een oversteek van de Mississippi. Daar vormde men groepen om gezamenlijk aan de reis te beginnen. Individueel reizen was onmogelijk, dat zou slecht aflopen. De deelnemers moesten over voldoende geldmiddelen beschikken om een huifkar te kunnen aanschaffen.  Het enige transportmiddel dat geschikt was voor zo’n tocht door moeilijk begaanbaar terrein, was een huifkaar met daarvoor een span van zes muilezels of acht ossen. De aanschaf van die dieren was verre van goedkoop. Een span muilezels kostte algauw zes honderd dollar en acht ossen twee honderd dollar, maar die waren trager en legden gemiddeld niet meer dan drie mijl per uur af.  Daarnaast moesten die beesten grazen en verzorgd worden en dat vergde veel tijd. De reis vergde dan ook meer dan drie maanden waarbij het uiterste van mens en dier gevraagd werd. 

Marcy noemde niet de prijs van een huifkar, die had men als men slim was al eerder in het Oosten gekocht. Daar was die waarschijnlijk een stuk goedkoper. Maar hij merkt wel op dat zo’n huifkar van stevig en vooral ook van droog hout gemaakt moest zijn. Want op de prairie kon de lucht zo extreem droog zijn dat nat hout zo kromp, dat de verbindingen tussen de onderdelen losraakten en de wagens bijna uit elkaar vielen. Of anders raakten de wielen wel los of vielen de ijzeren hoepels eraf. Maar dat viel nog te repareren, al kostte dat veel tijd. Met gammele huifkarren lukte dat niet en die liet men onttakeld achter.  Dat gebeurde ook met huifkarren die niet meer getrokken konden worden omdat de muilezels of de ossen door dorst of uitputting gestorven waren.    

Hij waarschuwde dan ook met klem om de wagens vooral niet zwaar te beladen en alleen voedsel voor de gehele reis mee te nemen. Dagelijks voedsel zoals meel, zout, suiker, boter en gedroogde groente. Voorts koffie, thee en tabak voor roken en pruimen. Er waren desondanks nogal wat reizigers die geen afscheid konden nemen van hun dierbare spulletjes. Die al gauw te zwaar voor hun zwoegende trekdieren bleken te zijn. Zodat onderweg de route bezaaid lag met kasten, serviesgoed, boeken waaronder misschien ook nog wel eens een familiebijbel enzovoorts. Daarnaast werd de route geflankeerd werd door gestorven trekdieren.   

Marcy gaf ook kleding advies en dat was ook wel nodig. Want de heersende mode was totaal ongeschikt voor de wildernis. Een man, die naar de laatste mode gekleed was, droeg een strakke (knie)broek, een opzichtig vest en een geklede pandjesjas. Hij beval voor mannen ruimvallende flanellen shirts, een ruime wollenbroek en katoenen ondergoed aan. Twee stuks maar, wel wat weinig want met die waterschaarste werd onderweg niet vaak de was gedaan. Maar hij achtte wel vier zakdoeken nodig! Advies over wat vrouwen moesten dragen liet hij wijselijk (?) achterwege. Maar alleen al voor een hoepelrok was op de bok van een huifkar geen ruimte en met een strak korset miste je de bewegingsvrijheid die je beslist nodig had. 

Er werd alleen in het zomerseizoen gereisd. De eerste expedities vertrokken al in april. Het meest gunstige tijdstip, want een voorspoedige reis hing af van twee zaken, voldoende gras en water. Wanneer een ervan onderweg niet voldoende werd aangetroffen, dan stierven de trekdieren van honger of dorst. De eerste expedities vonden nog voldoende gras. Bovendien was de lucht nog niet extreem droog, zodat de dieren bij het grazen ook nog dauw binnenkregen. Dan hoefden ze minder gauw gedrenkt te worden. Die dauw was ook voor de mens prettig. Wie dan een deken – een tip van Marcy – over het natte gras trok en die uitwrong, vulde zo zijn water voorraad aan.

Ik ben een ware koffieleut en ik zou er koffie van gezet hebben. Ik heb mij altijd afgevraagd hoe zo’n kop koffie, gezet van zuiver dauw water, zou smaken. Veel beter dan die met ons kalkrijk leidingwater? Misschien probeer ik het nog wel eens keer.

Latere expedities werden soms geconfronteerd met een al kaal begrazen prairie en dat bracht hen dan in de problemen. ’s Avonds werden de muilezels en ossen uitgespannen. Ze moesten dan wel bewaakt worden. Want ze sloegen nogal eens op hol en met het weer bijeen brengen ging veel tijd verloren. 

Marcy waarschuwt ook voor het gevaar van indianen, die paarden en muilezels wilden roven. Iedere man moest bewapend zijn met een geweer en pistool en moest die bij de hand houden. Voorts moesten er verkenners voor de expeditie uitrijden om te kijken of de route veilig was. Mocht je onderweg indianen tegen komen en gedroegen ze zich verdacht, nou ja dan rekende je maar met ze af. Immers het waren maar wilden.

Op onze reizen door het Wilde Westen kon ik het niet laten om in een dorpswinkel autobiografieën te kopen. Sommige waren keurig gedrukt, andere waren gestencild. Enkele van hen hadden als kind die tocht meegemaakt en die had op hen als kind uiteraard een onvergetelijke indruk gemaakt.  Ze maakten gebeurtenissen mee, die Marcy niet beschreven had. En die ook niet goed passen in de romantische lectuur die over het Wilde Westen is geschreven.  Die is doordrenkt van heroïsme en die tref je weinig aan in de dagelijkse werkelijkheid.

Een meisje beschrijft, hoe ze onderweg buffelvlaaien moest zoeken want die werden gebruikt als brandstof voor het kampvuur. Ze veroorzaakten een witte, scherpe rook waarvan je ogen gingen tranen en aan het eten een speciale smaak toevoegde. Dat gebruik van gedroogde poep was niet verheffend en daarover werd in de literatuur gezwegen.

Voorts schrijft iemand, dat het spoor over de prairie volgen heel gemakkelijk ging. Daarvoor hoefde je Marcy niet te raadplegen. Het was niet alleen duidelijk zichtbaar door allerlei weggegooide spullen en onttakelde huifkarren maar ook door de vele stinkende kadavers. Door alleen op je neus af te gaan kon je het spoor blijven volgen. 

Het landschap was indrukwekkend. Maar alleen de reizigers in de voorste huifkarren konden daar oog voor hebben, want de achterste wagens reden vaak in een dichte stofwolk. Het zicht bleef dan tot een neuslengte beperkt en het stof benam je de adem. Vandaar die vier zakdoeken die kwamen dan goed van pas.  De afspraak was, dat er dan regelmatig van plek in de kolonne gewisseld werd. 

Hoewel er geen indiaan te bekennen viel, liep toch nog wel eens een pionier een schotwond op. Want door dat gehots en gebots van de huifkarren ging nog wel eens een geweer of revolver af. Maar die wapens opbergen deed men niet. Het dragen van wapens was immers een vertoon van mannelijkheid. Vooral voor de jongeren.     

Met al die handleidingen en al die websites leef je tegenwoordig in een informatiejungle, waar je snel de weg kwijtraakt. Geen Marcy die je er doorheen helpt. Neen, dan die wildernis van weleer. Ik blader dan ook graag door de Prairie traveler. 

Dat geldt niet voor de toelichting bij mijn auto. Na ruim een half uur door die gids gestruind te hebben, kwam ik er achter dat ik gewaarschuwd werd voor te weinig spanning in een achterband. Dat was een hele opluchting want dit kon bij de eerste beste benzinepomp verholpen worden.  Wij starten de auto en zetten onze reis voort. Nog twintig kilometer door de grazige greiden van Friesland.    

Leeuwarden 2025