Skip to content
Home » Artikelen » Een saaie Piet

Een saaie Piet

Hoe berichtgeving in kranten is veranderd                                                                           

Keurige ambtenaren en degelijke huisvaders werden voorheen in de samenleving positief gewaardeerd. Vooral door vrouwen die als echtgenotes zich zo van een geborgen bestaan als huisvrouw verzekerd wisten. Maar met het stijgen van de welvaart en met het toenemen van de vrije tijd kwam daar verandering in. Er kwam ruimte voor uitgaan, festivals bezoeken, reizen, sporten enz. 

De man die voorheen zijn pantoffels aantrok, met het gezin de maaltijd gebruikte en zich vervolgens in de leunstoel terugtrok om de krant te lezen, werd gebrandmerkt als een saaie Piet. Hem stond vroeg of laat relationele problemen te wachten. Want in plaats van een bestaan vol zekerheden te willen, behoor je nu mee te gaan in een spannend en avontuurlijk bestaan. Je mag als man voor van alles worden uitgemaakt, maar nooit en te nimmer voor een saaie Piet! 

Ook journalisten houden niet van saaie Pieten. Over zulke figuren valt moeilijk een boeiend artikel te schrijven en dat is een absolute noodzaak. Want de lezer of kijker houdt het snel voor gezien. Het komt er dan op aan om de man uitspraken te laten doen die prikkelend of nog beter controversieel zijn en om zaken uit zijn levensloop op te diepen die boeiend zijn. Zo raakt de werkelijkheid nogal eens in de knoei. Ik had genoeg medewerkers die ook wel eens in de publiciteit wilden en niet beseften wat je daarbij kan overkomen. Om hen daarvoor te waarschuwen diste ik dan wel eens het volgende verhaal op: 

Een beginnend journalist kreeg opdracht om een artikel te schrijven over de Landbouw Hogeschool in Wageningen. Hij strikte een hoogleraar die een belangwekkend onderzoek naar zetmeel deed.  Toen hij hem opzocht, bleek er sprake te zijn van een misverstand. De professor had een afspraak op het Departement van Landbouw en stond op het punt naar Den Haag te vertrekken. Nou ja dat interview kon ook wel onder het rijden in de auto afgenomen worden.   

De hoogleraar moest vervolgens naar een congres in het buitenland. Toen hij terugkwam werd er op zijn afdeling koeltjes op zijn komst gereageerd. Een typiste mompelde nog zoiets als akelige dierenbeul. Hij snapte er niets van. Maar op zijn bureau lag het interview. Tot zijn stomme verbazing en woede stond daar de volgende passage in. 

“De professor sprak belerend over zetmeel. Tot er op de weg een kat liep. Die probeerde nog weg te komen, maar de professor reed met opzet over hem heen. Zo dat is een onnut beest minder sprak hij voldaan.”

 Hij pakte de telefoon en belde de journalist op. 

“Man wat schreef je daar! Dat van die kat daar is niks van waar. Geen kat ooit gezien.”

Waarop de journalist antwoordde:
“Zeur niet zo. Alleen maar praten over zetmeel, meliger kon het niet. Daar kon ik niks van maken. Je verdiende loon zo heb ik het interview nog spannend kunnen maken!”

Om aan dat verhaal toe te voegen dat het zo bizar niet toegaat, maar dat je tegenover een journalist altijd op je woorden moet letten, die worden gauw verdraaid of uit hun verband gerukt. Als je geen belang hebt bij publiciteit, vermijd dan journalisten! 

Mijn ervaring met de journalistiek gaat mee tot 2000. Er is sindsdien wel heel veel veranderd. Zoals de journalistiek uit de jaren negentig niet te vergelijken valt met die van een halve eeuw daarvoor. Dat werd mij duidelijk toen ik in een rommelzaak een serie ingebonden kranten van Het Vrije Volk over de maand september 1946 vond. Het Vrije Volk was vanaf januari 1946 een landelijk dagblad met de hoofdredactie in Amsterdam, maar wel met een aantal regionale edities. Waaronder een Friese en die editie trof ik hier aan. 

Krant lezend; Anefo, CC0, via Wikimedia Commons

Iedere zuil had in die tijd zijn eigen krant. De Volkskrant was er voor de katholieken en Trouw voor de protestanten. Het nieuws werd dus gekleurd weergegeven. Trouw gaf trouwens geen nieuws door dat op zondag plaatsvond. Toen eens in de maandag krant per ongeluk stond dat het de dag daarvoor gesneeuwd had, kwamen er bij de hoofdredacteur Sieuwert Bruin Slot verontwaardigde reacties van lezers binnen die hun abonnement opzegden. De krant had de zondagsrust genegeerd!  

Veel journalisten zullen zich achteraf geschaamd hebben voor hun gekleurde berichtgeving. Zoals Martin van Amerongen een scherpe satiricus, die drie jaar werkte bij Het Vrije Volk in Leeuwarden. Zijn oordeel over de krant is niet mals: “Wijlen Het Vrije Volk, een ideologisch vooringenomen ellende krant, waar ik, ondanks alles, toch veel van heb gehouden.” Het lijkt mij een overtrokken oordeel. Afgaande op wat ik er in september 1946 in las.

Het formaat van de krant was door papierschaarste zo veronderstel ik van het formaat dat de kranten nu hebben. Want later hadden de kranten weer het grote formaat waar je in de trein zo lekker achter kon wegduiken. De opmaak was totaal anders. Weinig foto’s en veel tekst in een kleine letter. Die je tegenwoordig alleen terugvindt in de bijlage van een contract en die je slechts kunt lezen met gefronste wenkbrauwen en met een sterke leesbril op. In het jargon van de krantenzetters heette dat, naar ik meen, een broodletter.  

Passend was geweest als Het Vrije Volk in 1946 vol vuur het socialisme had uitgedragen en misstanden in schreeuwerige letters aan de kaak had gesteld. Want er was veel mis zo vlak na de oorlog.  Maar neen hoor, van enige verontwaardiging was in de maand september niets te bespeuren. Misschien zat die er wel in als je tussen de regels las. Maar dat heb ik dan gemist. Wat mij vooral trof, was de sussende, terughoudende taal waarin de artikelen opgesteld waren. Ik neem aan dat dit ook in de andere kranten – misschien de communistische De Waarheid uitgezonderd – zo was. Het was een bedaarde avondkrant die je nachtrust zeker niet zou verstoren.    

Voor de oorlog waren de socialisten nog voor de afschaffing van de monarchie. Na de oorlog waren ze enorm koningsgezind geworden. 

De voorpagina van een krant hoort gereserveerd te zijn voor schokkend en belangrijk nieuws. Dat was in de krant van 16 september het vertrek naar Indonesië van een Nederlandse delegatie met minister – president dr. L. J. M. Beel en nog enkele ministers voor een bespreking met de Republikeinen. Maar er stond ook op een prominente plek op dezelfde voorpagina en dan ook nog zo omkadert dat geen lezer het bericht over het hoofd zou zien:  

Jan Jaap wordt gezocht

Het hondje van Prinses Beatrix is weggelopen uit het paleis Soestdijk. Het diertje is een zwarte spaniël en heet Jan Jaap. Het draagt deze naam op een halsband. De Paleisrecherche verzoekt opsporing!

Iedereen in de hofhouding had een dubbele naam, zelfs het schoothondje zo blijkt. Als nu in plaats van dat beestje Beatrix was weggelopen dan was dat zeker voorpaginanieuws geweest! Maar dit? Ik vraag me af hoe geharde socialisten toen ze dit lazen, gereageerd hebben. Zouden ze hun abonnement hebben opgezegd?  Uit walging van een redactie die blijkt te bestaan uit hondstrouwe monarchisten? 

De koninklijke familie meed bij privéaangelegenheden nadrukkelijk de pers. Koninklijke gezinsproblemen werden – naar afspraak tussen de verschillende hoofdredacteuren – altijd buiten de krantenkolommen gehouden. Tenzij de familie dat zelf anders wou. Zoals gebeurde met het hondje van Beatrix. Kroonprins Willem, later koning Willem II, deed, dat met zijn vader. Hij was gekant tegen het voorgenomen huwelijk van zijn vader met de katholieke hofdame Henriette d’Oultremont. Dus zette hij de hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad in het geheim ertoe aan om tegen dat huwelijk te ageren. Terwijl later Prins Bernhard in de Greet Hofmans affaire de vuile was buiten hing om zo te proberen koningin Juliana tot aftreden te dwingen.      

Maar wat mij meer trof dan deze monarchale onderdanigheid was het naoorlogse omgaan met menselijk leed. Een voorbeeld daarvan vond ik in de krant van 3 september. Menselijk leed was niet meer aandacht waard dan een paar regels. Zonder enige emotie of mededogen, zoals nu gebruikelijk is.   

Dodelijk ongeval

Toen Zaterdag morgen het twee-en -een half- jarig zoontje van den heer L. P. op de rijweg achter een groentekar vandaan kwam, liep hij tegen een juist passerende luxe – wagen op. Hij kreeg zo’n klap dat hij terstond nog slechts levenloos kon worden opgenomen. De chauffeur van de auto treft geen blaam.

Dat ongeluk gebeurde in Rinsumageest. Vlak daaronder staat in soortgelijke bewoordingen die vroeger telegramstijl werd genoemd, een dodelijk verkeersongeval dat in een ander deel van de provincie plaats vond.  

Door tram gegrepen

Te Heerenveen is de 16- jarige B. B. uit K. door de tram gegrepen, daar hij het signaal niet had opgemerkt. Hij probeerde langs de tram te komen, wat hem niet gelukte. Hij werd van de brug meegesleurd en was op slag dood.

Verder wordt er in de dagen daarna niet meer terug gekomen op beide dodelijke ongelukken. Daarmee waren twee menselijk tragedies in een paar regels afgedaan. Dat zou nu niet meer kunnen, twee kinderen die door een ongeval om het leven komen, zouden nu aangrijpend nieuws zijn. Zowel de krant als de tv zou er een verslaggever naar toesturen en zij waren dan getuige van een vast ritueel dat bij een menselijk drama wordt gehouden.  

Een politiewoordvoerder laat het bij een terughoudend bericht. Maar daarachter begint de hectiek. De pers probeert de ouders, chauffeur en trambestuurder te interviewen. Vaak tevergeefs want psychologen zijn van oordeel dat dit het verwerken van het leed belemmert. Maar journalisten van nu zijn niet terughoudend meer en gaan op zoek gaan naar omstanders die het ongeluk hadden zien gebeuren en die wel vrijuit willen reageren. Waarbij geprobeerd wordt aan te geven wie direct of indirect schuldig zijn aan deze ongelukken. Er zou in de media dagenlang aandacht aan deze ongelukken worden besteed. Uiteraard past in het rouwproces een stille tocht en het leggen van bloemen op de plek van het ongeluk.

Misschien speelde bij die korte reactie de oorlog nog mee. Wij waren – jong en oud -afgestompt geraakt en behoorlijk ongevoelig voor menselijk leed geworden. Zo herinner ik mij bijvoorbeeld nog dat ik als vier jarig jochie met een buurjongetje op straat aan het spelen was en hoorde dat er een “dooie” Duitser in het kanaal lag. In het pikkedonker en met een stevige slokop gebeurde dat nogal eens. Het dreggen naar hem en hem opvissen was een hele attractie en dus liepen wij naar het kanaal een paar straten van ons huis. 

Er had zich al een groep belangstellenden verzameld en toen de Duitser gevonden werd en uit het water zou worden gehaald, werd er niet gejuicht maar heerste er wel een gevoel van voldoening. Omstanders wisten te vertellen dat hij s ’nachts om hulp had geroepen, maar dat men hem had laten schreeuwen. Het was avondklok en dat betekende dat iedereen binnen moet blijven. Waar men zich in dit geval graag aan hield. Aan die “attractie” heb ik niets overgehouden. Alleen veel later een gevoel van lichte schaamte.

Het was in 1946 een tijd van armoede en schaarste en velen moesten hun emoties – die waren immers contraproductief – onderdrukken. De kranten hielden daar rekening mee. Dat zie je ook terug in de strafzaken die speelden tegen NSB ers en profiteurs. In weinig bewoordingen wordt weergegeven wat ze hadden misdaan en dan volgde het vonnis. Zonder enig commentaar.

Voor de oorlog schreven sommige journalisten wel met passie hun artikelen. Een bekende journalist uit die tijd, Piet Bakker, vertelde hoe hij een artikel schreef over het vernielen en leeghalen van sigarettenautomaten in Den Haag. De sigarenwinkels sloten ’s avonds en waren ook zondags dicht. Maar daar hadden ze een oplossing voor gevonden aan de buitengevel zat vaak een sigarettenautomaat. Een zware roker hoefde dus niet zonder sigaretten te zitten. Als hij gepast geld had trok hij een pakje uit de automaat. Piet Bakker merkt in zijn memoires met enige trots op dat na zijn pakkend artikel over het leeghalen van sigarettenautomaten het aantal plunderingen behoorlijk was gestegen. 

Die ingetogen schrijfstijl van na de oorlog waarbij een onderwerp niet werd uitgediept en geen achtergrondinformatie werd ingewonnen, maakte het een journalist wel heel gemakkelijk. Begin jaren zeventig was de Engelse ambassadeur in Friesland op bezoek. Ik had een prettig gesprek met zijn woordvoerder en pr-functionaris. Een pittige dame die mij vertelde dat ze jarenlang journaliste in Fleet street (de straat waar vroeger in Londen de pers zat) was geweest en de journalistiek was daar een hard vak. Met deze baan deed ze het na al die jaren lekker rustig aan want dat kon in Nederland. Dat bracht mij ertoe haar te vragen wat zij van het Nederlandse journaille vond. Ik herinner mij dat ze geen blad voor de mond nam. Een stel zelfgenoegzame luilakken was haar oordeel. 

De eerste journalist die kritiek had op autoriteiten en op het verzwijgen door journalisten van wat er achter de schermen speelde, was H.J.A. Hofland met zijn boek Tegels lichten dat in 1972 verscheen. Dat zorgde voor veel opschudding maar daarna dommelde het journaille toch weer in. 

Een journalist wordt nu in Nederland vaak voor alles en nog wat uitgemaakt. Maar zeker niet voor een zelfgenoegzame luiwammes. Ik heb de dagblad pers van heel dichtbij meegemaakt als geïnterviewde, columnist en commissaris, maar mij baserend op hoe nu het nieuws in de kranten wordt weergegeven, is daarvan geen sprake meer. De journalist is nu een (onderbetaalde) letterknecht. Met hijgerige artikelen die haast je rep je zijn geschreven. Want nieuws is al snel belegen geworden en dat is alleen voor kaas een pre. 

De beheerder van de stationskiosk in Leeuwarden vertelde mij dat hij twintig jaar geleden alleen al tweehonderd Volkskranten per dag verkocht. Nu zijn dat er nog geen tien. De trein lag toen altijd vol met dagbladen die reizigers achter lieten. Onder druk van de concurrentie van andere media is het formaat en de lay out van een krant volkomen veranderd. Minder tekst en meer wit en voorts ook veel foto’s. Soms vullen zij de gehele voorpagina. Met slechts een enkele kreet in chocoladeletters. Mijn vader zei vroeger als er meer dan een foto op de voorpagina stond, ik koop geen krant om plaatjes te kijken. Maar de huidige lezer vindt dat prima die is een koppensneller geworden. 

Op de binnenpagina’s staan veel interviews. Saaie Pieten kom je er niet meer tegen maar personen die in opperste staat van woede of verontrusting verkeren. Vergeleken met hoe in 1946 een krant werd volgeschreven, is het nieuws nu doordrenkt van stemmingmakerij en opruiing. Dat staat mij tegen, maar ondanks mijn kritiek hoop ik wel dat De Krant blijft bestaan! 

Leeuwarden 2022