Gepeins over onze dienstplicht
Op dit ogenblik heerst er in Europa en daarmee ook in ons land een oorlogsstemming. Er is sedert 2022 een Tweede Krim oorlog gaande (zo noem ik de huidige oorlog in Oekraïne) met als gevolg dat wij na de koude nu een ontdooide oorlog met Rusland hebben. Kenmerkend voor die koude oorlog was toen dat de partijen uiterst behoedzaam handelden en onderling contact hadden om te voorkomen dat er door misverstanden akelige dingen gebeurden. Die behoedzaamheid was begrijpelijk want het betrof een generatie die de oorlog had meegemaakt en wist wat voor menselijke ellende daaruit voortkwam. Voorts was er de angst voor de atoombom.
Nu valt mij op, dat het woord oorlog gemakkelijk valt en dat men niet ingaat op wat dat betekent. Ik merk ook hoe ons leger op allerlei manieren wordt aangeprezen, bedoeld om mannen en vrouwen ertoe te bewegen dienst te nemen. Met spotjes op de tv, met schoolbezoeken enz. Met voldoening wordt vastgesteld dat uit een enquête blijkt dat de jeugd positief staat tegenover een eventuele dienstplicht.
Hoe waarheidsgetrouw is dit alles wat ons wordt voorgespiegeld? Daaraan mag je twijfelen. De waarheid sneuvelt als eerste in een oorlog, zo luidt het gezegde. Dat stemt niet overeen met de werkelijkheid, want de waarheid wordt nooit voor militaire dienst opgeroepen. De waarheid tref je nooit aan in de vuurlinie. Die is daar niet gesneuveld, die is al eerder doodgezwegen.
Bij oorlogvoering hoort ook camoufleren. Zo dragen soldaten camouflagepakken, worden kanonopstellingen achter netten verborgen enz. Allemaal bedoeld om de vijand te misleiden. Maar daar blijft het niet bij. Ook het thuisfront wordt misleid. Om te verhullen hoeveel Britse militairen in de Eerste Wereldoorlog sneuvelden, werd bepaald dat die niet naar Engeland teruggebracht mochten worden maar in België of Frankrijk begraven moesten worden. Anders zou dat een negatief effect hebben op het moreel van de Engelse bevolking.
Vroeger werd het thuisfront doormiddel van bulletins op de hoogte gebracht van het krijgsverloop. Dat gebeurde in schaarse bewoordingen als de strijd ongunstig verliep en in juichende als de krijgskansen keerden. Maar in deze gebrekkige informatieverstrekking kwam met de Eerste Krim oorlog (1853 – 1856) verandering. Toen werd voor het eerst het publiek uitgebreid geïnformeerd over wat zich aan het front afspeelde. Daar was namelijk de pers aanwezig en die bracht verslag uit. Soms was zij “embedded” maar soms onttrok zij zich daaraan.
Deze Krimoorlog werd uitgevochten tussen enerzijds de Engelsen en de Fransen die meenden Turkije te moeten bijstaan en anderzijds tsaristisch Rusland. Het was de eerste oorlog die met massa vernietigingswapens werd uitgevochten. De schatting over het aantal gesneuvelden varieert van 400.000 tot 750.000 doden. Martha Gellhorne, een bekende oorlogsverslaggever uit de vorige eeuw, schreef dat de oorsprong van een oorlog wederzijdse stompzinnigheid is. Dat geldt zeker voor deze. Oorlog. Nu alle feiten bekend zijn, kun je niet anders concluderen dat op volstrekt onzinnige overwegingen Engeland en Frankrijk met dat bloedbad begonnen waren.
Maar oorlogen stimuleren ook het innoveren. Een gevolg van die Krimoorlog was de opmars van de telegraaf. Want die oorlog op afstand – de afstand van Moskou naar Sebastopol en van Parijs en Londen naar de Krim was groot – vergde een vlottere communicatie dan het sturen van missiven waarmee weken gemoeid waren.
Er was eigenlijk maar één land die van deze oorlog wist te profiteren. Dat was de VS want zij zagen kans om de bevoorrading van Europa met graan van de Russen over te nemen. De Royal Navy blokkeerde namelijk de Russische zeehavens. Zo werden er in snel tempo treinverbindingen tussen de zeehavens en het achterland aangelegd. Een verandering was voorts de vervanging van vlasdoek door katoendoek. Tot dan toe voeren de Amerikaanse schepen met vlasdoek dat uit Rusland geïmporteerd werd. Toen die import stopte ontwikkelde een Amerikaanse zeilmaker katoendoek dat andere landen graag overnamen. Het stimuleerde de export van katoen. Henry Clay, een bekende Amerikaanse politicus uit begin negentiende eeuw, heeft eens gezegd, dat elke Europese oorlog de Amerikanen goed uitkomt. Helaas een juiste conclusie.
Die Krimoorlog was de eerste oorlog die door de pers verslagen werd en wel door journalisten van de geïllustreerde tijdschriften. Die tijdschriften waren een nieuw fenomeen waarin uitgebreide artikelen stonden verlucht met levensechte houtgravures. De spoorwegen maakten een ruime verspreiding mogelijk en het talrijke lezerspubliek waaronder ook de “gewone man” verslond met verbijstering al dat aanschouwelijke nieuws.
Voor Engeland hadden die artikelen tot gevolg dat de soldaten niet meer zoals voorheen als nobodies sneuvelden. Want het Engelse leger miste de status van de Royal Navy en de soldaten waren vaak probleemgevallen uit de onderste laag van de bevolking. Volk dat de betere stand, liever kwijt dan rijk was. Maar die aandacht van de pers zorgde er nu voor dat de bevolking over het lijden van die militairen geïnformeerd raakte en zich hun lot aantrok. Voorts creëerden die tijdschriften de eerste barmhartige heldin van het slagveld, namelijk Florence Nightingale. Die geïllustreerde tijdschriften met verslaglegging door journalisten ter plekke, hadden een even grote uitwerking als de tv op de Vietnamoorlog. De bevolking raakte in verzet en de regering van de VS werd ertoe gedwongen deze doelloze oorlog te beëindigen.
Met de huidige stemming lijken oude tijden terug te keren. Zo’n twee honderd duizend jongeren hebben onlangs een brief van defensie gekregen waarin staat dat zij nog steeds dienstplichtig zijn en dat zij eventueel opgeroepen kunnen worden. Gesuggereerd wordt dat als ze zich als vrijwilliger zouden aanmelden, die dienstplicht beperkt blijft tot een enkel jaar. In mijn tijd en dat was begin jaren zestig werden alleen jongemannen opgeroepen. Dat was toen pure seksediscriminatie, maar die werd geaccepteerd omdat die goed verklaarbaar was. Een militair moest lichamelijk inspannende dingen doen. Vandaar dat er geoefend werd met een stormbaan nemen, speedmarsen met bepakking lopen enz. Fysiek te zwaar voor vrouwen zo vond men toen. Trouwens veel rekruten waren bij opkomst daartoe evenmin bij machte.
Maar is oorlogvoering nog wel een mannelijke bezigheid? Is zij nog wel stoer en manhaftig? De moderne oorlog wordt gevoerd met drones en raketten en die worden vanachter beeldschermen geleid. Snel handelen en complexe situaties in een oogopslag overzien is een vereiste. Daarvoor zijn vrouwen beter geschikt dan mannen. Ze zijn weliswaar minder bloeddorstig dan mannen, maar doden vallen nu bijna onopgemerkt op grote afstand. Dat is minder confronterend. Zowel mannen als vrouwen oproepen past ook beter bij onze cultuur van niet langer verschil tussen mannen en vrouwen te maken.

Voor vele jongens zorgde de militaire dienst vroeger voor een flinke cultuurschok. Door de bevelstructuur en door de tucht waaraan soldaten onderworpen waren, ging het er heel anders aan toe dan in een gewone samenleving. Rekruten werden vanaf de eerste dag gedrild en monddood gemaakt. Dat onderging je gedurende achttien of eenentwintig maanden. Voor je gevoel een eindeloos lange periode. Aan het einde van je diensttijd was je geëvolueerd van filler tot “ouwe stomp.’” Daarmee werd misschien bedoeld dat je afgestompt weer in de burgermaatschappij zou terugkeren. Om daarna als individu je mondigheid te herontdekken!
Een cultuurschok was ook het ontmoeten van leeftijdsgenoten die je in de verzuilde samenleving niet tegenkwam. Gereformeerden, katholieken, Amsterdammers, Limburgers, Friezen het was al met al een zeer gemêleerd gezelschap dat in een soldatenkamer in nauw contact met elkaar kwam. Van onderlinge spanningen was toen geen sprake. Integendeel er ontstond een sfeer van kameraadschap. Nu in een gepolariseerde samenleving lijkt het mij moeilijk om jongeren met een sterke verschillende culturele achtergrond zo bij elkaar te brengen.
Bij de keuring werd gekeken naar wie wel en wie niet geschikt was. Jongens met een lichamelijk beperking werden direct afgekeurd. Voorts ook moeilijk inpasbare typen, zoals oproerkraaiers, domoren, homo’s enz. Die kregen S 5 de hoogste graad van geestelijke instabiliteit. Veel belangrijke figuren zijn op jonge leeftijd afgekeurd. Om enkele voorbeelden te noemen, zo werd Johan Cruyff afgekeurd omdat hij leed aan zware hoofdpijn. Misschien omdat hij te veel in zichzelf sprak. Toen hij dat later niet meer deed, kregen zijn toehoorders er last van. En Dries van Agt omdat hij last van spataders had.
Er werd bij de keuring ook veel gesimuleerd, maar die keuringsartsen waren bekend met veel van die trucs. Sommigen wisten hen toch te misleiden zoals Jeroen Krabbé. Die deed alsof hij homo was, verscheen in opvallende kleding met bordeelsluipers, coltrui en getoupeerd haar op de keuring en kreeg ook nog enkele hysterische huilbuien. Hij kreeg zijn verlangde S5, en vond dat hij zijn eerste grote rol voortreffelijk had gespeeld. Jan Mulder was daarentegen wel de klos. Toch ook een vervelende druktemaker. Hij kwam tijdens zijn basisopleiding vanuit Brussel waar hij voetbalde bij Anderlecht, in zijn sportwagen naar Ossendrecht rijden zo herinner ik mij. Maar daar hield hij zich wel gedeisd. Al met al was zo’n selectie op basis van bruikbaarheid natuurlijk wel erg onrechtvaardig.
De Nederlandse bevolking was van ouds weinig militaristisch. Toen Nederland nog de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was, hadden wij een beroepsleger dat bijna volledig uit buitenlanders bestond. Schotten, Duitsers en Zwitsers. Dienstplicht kenden wij niet. Net als in alle andere Europese landen. De dienstplicht werd pas ingevoerd bij de Franse revolutie. Dat Franse volksleger was een volslagen nieuw fenomeen. Een succesvol fenomeen met Napoleon als bekwaam bevelhebber. De dienstplicht werd, toen Nederland bij Frankrijk werd ingelijfd, ook hier ingevoerd. Daartegen was veel verzet en het kwam in verscheidenen steden tot opstootjes. Ook de betere stand was er niet blij mee. Maar hun kinderen werden ondergebracht in een Garde d’ Honneurs. Geen onderdeel dat hoefde te vechten, zij waren eigenlijk niet meer dan gijzelaars die hun ouders tot medewerking dwong.
De gewone militair moest daarentegen wel vechten. Eerst in een expeditie legertje in Spanje en later met de Grand Armee in Rusland. In de periode 1806 – 1814 dienden 60.000 Nederlanders in het leger van Napoleon en twintig duizend daarvan kwamen om het leven. Daaraan werd ook later geen ruchtbaarheid gegeven want na de val van Napoleon werd de dienstplicht niet afgeschaft. Ons grondgebied kon niet meer door buitenlanders verdedigd worden. Dat was vanwege nationale gevoelens ongepast geworden. Buitenlanders trof je eerst nog wel aan bij onze marine en gedurende de gehele negentiende eeuw bij ons koloniale leger.
Het potentieel aan jonge mannen was in die eeuw ruim voldoende, zodat er voor dienst geloot kon worden. Het was een feestdag voor de lotelingen die zich vrijgeloot hadden en daarbij werd stevig gedronken. De jongens die helaas in dienst moesten deden waarschijnlijk ook mee om zo hun verdriet weg te spoelen. Pechvogels uit de betere stand konden zich vrijkopen. Of liever gezegd een vervanger inhuren. Daarvoor moesten de ouders wel stevig in de buidel tasten. Want daar was een bedrag van ongeveer zeshonderd gulden. Veel meer dan een beroepsmilitair verdiende! Naar schatting bestond 20% van elke lichting uit remplaçanten! Critici spraken toen ter tijd wel eens over een leger van paupers. Aan het einde van de negentiende eeuw werd aan dat afkopen een einde gemaakt.
Dus werd ik opgeroepen en kwam ik ruim zestig jaar geleden als kanonnier onder de wapenen. De musket was als wapen al afgeschaft, maar het was toen nog wel een primitieve bedoening. Wij sliepen op een strozak en onder een deken van paardenhaar die je de kriebels bezorgde en die je ’s morgens moest opvouwen tot een strak vierkant pakketje. Een wolletje genaamd die je op de kast legde. Wie bij de wekelijkse inspectie niet alles keurig had ingeruimd naar de opvatting van zijn sergeant, kon zijn weekendverlof wel vergeten.
Met al dat (gesuggereerde) enthousiasme van nu kan ik het niet laten om weer te geven hoe wij die diensttijd beleefden. Onze grondhouding was een diep afkeer van alles wat van hogerhand werd beweerd. Want dat was altijd anders dan wat je in werkelijkheid overkwam. Je deed dan ook alleen iets als je dat bevolen werd. Eigen initiatief hield je er niet op na, trouwens dat werd ook niet getolereerd. Soms moesten er om wat voor redenen dan ook voor een klus vrijwilligers komen. Die hoefden zich niet te melden, wat ze zeker ook niet deden. Vrijwilligers waren slachtoffers die door de sergeant waren aangewezen.
Het enige wat iedere soldaat toen met veel enthousiasme deed, was kankeren. Die aanduiding hoor je niet vaak meer. Want kankeren is verdwenen toen er inspraak werd bedacht. Waarbij uitspraken in procedures terecht kwamen en zo werd de suggestie gewekt dat er medezeggenschap was. Kankeren deed men vroeger zonder zich enige illusie te maken. Inspraak geeft gedoe, kankeren doe je vrijblijvend.
Wat behelst kankeren? Ik haal maar even mijn oude Van Dale uit de kast. In mijn dierbaar woordenboek staat: “ontevreden, knorrig afgeven op toestanden en personen, morrend mopperen.” Die bewoordingen geven wel aan dat die bezigheid uit de tijd is. Wij kankerden omdat het lekker opluchtte. Verder haalde het niets uit. Aanleiding om te kankeren was er genoeg. De kazerne was eigenlijk een soort alternatief gekkenhuis. Er gebeurde soms de gekste dingen. Maar wij kankerden ook omdat wij “baalden als een stekker” zoals wij toen onze stemming benoemden en zagen uit naar de dag waarbij wij met een “ingerukt mars” dolblij afzwaaiden.
In een leger is er altijd wel eens sprake van een mis(ver)stand. Daarop kan dan een Tweede Kamer verontwaardigd reageren. Zoals C. N. van Dis van de Staatkundig Gereformeerde Partij dat in mijn diensttijd deed. Hij fulmineerde tegen het vele vloeken in het leger. Dat was een ernstige misstand waartegen opgetreden moest worden. Het antwoord van de staatssecretaris – een oud – militair van de landmacht en bovendien nog van christelijke huize – was, dat “vloeken een volkszonde was die helaas uit de samenleving meegenomen werd naar het leger.” Maar dat was krijgstuchtelijk strafbaar volgens de staatssecretaris en er viel daar dan ook zelden een onvertogen woord. In tegenstelling tot in de bouw en op de voetbalvelden. Zij reactie was wat in ambtelijk jargon een kir antwoord werd genoemd. Kir staat voor kluit in het riet en vooral als brief werden die erg veel verstuurd.
In vergelijking met het buitenland was de belangstelling in onze samenleving voor het leger minimaal. Dat er wel eens een soldatenlied de hitlijst haalde, bracht daar geen verandering in. Wij hadden ons eigen lijflied dat je beslist niet voor de radio zou horen. De tekst was daarvoor niet geschikt. Ook niet voor de legerplaats maar wel voor de soldatenkamer. Het stamde uit de Eerste Wereldoorlog toen het Nederlandse leger aan de grens stond en zich daar mateloos verveelde. Het telde oorspronkelijk vele coupletten, maar wij kenden alleen het eerste en het laatste couplet. Maar vooral dat laatst zongen wij met overgave.
Wie zijn vader heeft vermoord
En zijn moeder heeft vergeven
Die is nog te goed
Voor dit soldaten leven
Maar eenmaal komt de tijd
Dat wij deze rotzooi gaan verlaten
Vervloekt zij’ t regiment
Lang leve de soldaten!
Ik zie het Defensie niet gebruiken als jingle bij hun spotjes. Het past ook niet bij die enthousiaste rekruten, die Defensie meent te kunnen werven. Immers je zingt het alleen als je de pest hebt aan je diensttijd en niet als je ervan geniet.
Leeuwarden 2026