Skip to content
Home » Artikelen » Geen zee te hoog

Geen zee te hoog

Hoe vind je een bekwame minister – president

Regeren is misschien te veel gevraagd. Maar behoorlijk besturen moet toch kunnen!

Zou het nog lukken met al die emotie en polarisatie? Interessant en leerzaam is hoe het vroeger is gegaan. Zoals in de economische crisis van de jaren dertig en in de onrustige jaren zestig.  Toen ons land bestuurd werd door minister – presidenten Hendrikus Colijn (1869 – 1944) en Petrus Jozef Sietse de Jong (1915 – 2016) Twee oud – militairen die ook nog ruime oorlogservaring hadden opgedaan.

Hendrikus Colijn werd geboren in een arm gereformeerd boerengezin. Hij wou geen keuterboer worden en ontsnapte door in dienst te gaan. Amper zeventien jaar oud kwam hij bij het instructieregiment in Kampen terecht en wist een officier cursus te volbrengen. Vervolgens vertrok hij – pas getrouwd – in 1893 naar Ned. Indië om daar bij het KNIL te dienen.  Als jonge luitenant ging hij direct al mee met de Lombok expeditie. Hij onderscheidde zich door moed en leiderschap en kreeg de militaire Willemsorde.

Nederland probeerde in die tijd greep te krijgen op zijn kolonie. Een gebied zo groot als geheel West-Europa. Eigenlijk veel te groot voor zo’n klein land. De buitengewesten moesten onder controle gebracht worden en dat ging niet zonder strijd. In Atjeh werd een langdurige en uitputtende oorlog gevoerd. Colijn tekende ervoor en zou er negen jaar blijven.

Hij kwam terecht in een smerige guerrillaoorlog die in het moeilijk toegankelijke binnenland werd uitgevochten. Door patrouilles in man tot man gevechten waarbij geen krijgsgevangenen werden gemaakt. De gebieden die zo “gepacificeerd” werden, moesten  bestuurd worden.  Beide deed hij uitstekend en dat viel generaal J. B. van Heutz op die hem aanstelde als adjudant.  Hij was geen houwdegen, verstand had hij genoeg, maar gevoel weinig. Na verloop van tijd werd hij ingeschakeld bij het adviseren hoe Indië  bestuurd moest worden.

Hij hield ondertussen contact met gereformeerd Nederland en Abraham Kuyper, oprichter en de grote man in de Antirevolutionaire Partij, vroeg hem terug te komen. De ARP en het vaderland had hem nodig. Dat verzoek zal hem gestreeld hebben en hij gaf er gehoor aan. In 1909 werd hij Tweede Kamerlid en in 1911 minister van oorlog. In 1913 sneuvelde het kabinet en vertrok hij naar het bedrijfsleven. Hij werd directeur bij de BPM en later bij de Shell. In 1922 keerde hij als miljonair terug in de politiek.

In 1933 – hij was al vierenzestig jaar en dat is toch een leeftijd waarop menig man zich overgeeft aan een hobby of aan zijn kleinkinderen, werd hij nog minister – president in een kabinet dat aan de economische crisis het hoofd moest bieden. Hij leek er geknipt voor. Een vastberaden man die niet twijfelde aan zijn eigen inzicht.

Zijn opvatting was dat Nederland in die economische crisis dekking moest zoeken en niet eerder uit zijn schuttersputje moest komen, dan wanneer het economisch herstel zich internationaal inzette.  Dan ook konden de opgebouwde reserve effectief worden ingezet. Dus geen begrotingstekort maar een sluitende begroting, die inhield dat bij dalende belastingopbrengsten bezuinigd moest worden en dat gebeurde o.a. op ambtenarensalarissen en werkloosheidsuitkeringen. Vele Nederlanders vervielen zo tot diepe armoe. Zijn economisch beleid paste in de toen gangbare economische theorie. Hij durfde die uit te voeren en daarvoor werd in het buitenland als staatman dan ook zeer gewaardeerd. Zo was hij o.a. voorzitter bij internationaal economisch overleg.

Wat je hem mag verwijten, is dat hij weinig compassie met de slachtoffers van zijn beleid had. Maar ja, dat gevoel was hij al in Atjeh kwijtgeraakt. Een “steuntrekker” kreeg een karige uitkering en onderging een vernederende behandeling. Deze economische crisis zou dan ook velen traumatiseren.

Ondertussen werd hij gepusht als de roerganger die ons land door de crisis zou leiden.  Hij was hoofdredacteur van de Standaard het ARP dagblad en zijn achterban verafgoodde (!) hem. Maar dat was getalsmatig onvoldoende om te regeren en hij moest met dat image ook buitenstaanders verleiden om op hem te stemmen. In 1937 hield hij tijdens de Tweede Kamer verkiezingen maar liefst een veertigtal grote verkiezingsredes en maakte hij om het land door te trekken gebruik van een vliegtuig.

Hij gaf in die rumoerige jaren leiding aan vijf kabinetten, die alle voortijdig sneuvelden! Want hij riep ook veel weerstand op. In 1939 was zijn rol uitgespeeld en verdween hij van het toneel. Na in 1940 nog een brochure te hebben geschreven die in een bezet Nederland slecht viel. Na de oorlog, de economen omarmden de theorie van Keynes, werd hij van afgod tot een zondebok. 

Hij heeft op onze samenleving toch een positief invloed gehad. Europa had in die jaren dertig te maken met het fascisme, die geweld verheerlijkte en riep om een sterke man. Dankzij Colijn bleef die beweging in Nederland ondermaats. Wat hij voorts ongewild met zijn hartvochtig ingrijpen bereikte, was dat een hele generatie door die crisis geraakt werd.  Ik ervoer hoe in de naoorlogse jaren werknemers en werkgevers die crisis hadden beleefd. Als een ellendige tijd die nooit meer mocht terugkomen. Die opvatting maakte dat zij met elkaar constructief overlegden en compromissen konden sluiten. Zonder die instelling was de naoorlogse wederopbouw en de jaren daarna nooit zo’n succes geworden.

Maar Colijn moest nog een nieuwe aanval doorstaan. Bij de eeuwwisseling verscheen de biografie “Dit leven van krachtig handelen” van H. J. Langeveld.  Het eerste deel verscheen in 1998 een paar jaar eerder dan het tweede en ging over Colijns leven als officier in Indië en trok zo extra aandacht. Daarin stond een brief aan zijn vrouw waarin hij schreef, dat hij op Lombok een sigaar opstak, terwijl zijn soldaten dertien vrouwen met kinderen die om genade smeekten met bajonetsteken afmaakten.

Dit was het zoveelste bewijs dat onze ethische koloniale beleid bedoeld om de inheemse bevolking te verheffen, een sprookje was. Wij waren kolonialisten en gelijktijdig knechten van het grootbedrijf dat uitsluitend winst najoeg en hij was daarvan de personificatie. De verontwaardiging ter linkerzijde was groot. Het hielp niet dat er commentatoren waren die sussend schreven, dat “zijn deugden en ondeugden” passend bij die tijd. Elsbet Etty, een geharde linkse dame, noemde hem in haar commentaar in het weekblad Vrij Nederland “een misdadige ploert in de context van elke tijd.” In hoeverre hij een ploert was, laat ik voor wat het is, maar het was wel een eeuw waarin Amerikaanse presidenten de uitroeiing van de indianen stimuleerden en de Engelsen o.a. in Australië en Nieuw – Zeeland huishielden. Herman Langeveld maakte van Hendrikus Colijn des te meer een omstreden figuur.

Petrus Jozef Sietse de Jong (1915 – 2016) werd geboren in Apeldoorn. Zijn vader was machinist bij de spoorwegen. Hij was echter niet in treinen geïnteresseerd maar wou naar zee. Hij werd adelborst aan het KIM in Den Helder. Als jongen van eenvoudige komaf en ook nog katholiek was hij daar een buitenbeentje. Maar daar leed hij niet onder. Na zijn afstuderen werd hij ingedeeld bij de Onderzeedienst. Niet iedereen was voor die zware, gevaarlijk dienst geschikt. Je moest stabiel zijn, d.w.z. stalen zenuwen bezitten en je moest in de omgang geen moeilijk type zijn. Want je was met vijftig man in een kleine, benauwde ruimte opgesloten. Uiteraard moest je ook geen last van claustrofobie hebben.

 Hij had niet gevraagd om bij de Onderzeedienst te worden ingedeeld, maar hij vond het prima. Want bij die dienst werd je beter betaald. Zo kreeg je voor elk uur dat je onder water voer een rijksdaalder tot een maximum van drie uur. Maar het waren de zuinige jaren van Colijn en zo vertelde de administrateur hem dat hij volgens de reglementen – hij was niet getrouwd en nog jong – voor geen enkele toeslag in aanmerking kwam. Hij was bovendien geplaatst op een schip, waardoor hij kost en inwoning had en die werd in mindering op zijn gage gebracht. Hij vertelde met smaak dat hij als eerste officier en later als commandant de hele oorlog voor 76 gulden per maand gevaren had. Een bootsman op de koopvaardij verdiende volgens mij meer. 

Hij vertrok in 1934 als luitenant ter zee derde klas naar Indië, voer er op verscheidene onderzeeboten en keerde in 1937 terug want hij was benoemd tot eerste officier, de man onder de commandant, op de O24 een moderne onderzeeboot die nog niet afgebouwd was toen de oorlog uitbrak. Hij was aan boord en hij zag kans om met een lekkend schip dat nog niet operationeel was, uit Rotterdam weg te komen. Het waagstuk leverde hem al een onderscheiding op.

In Engeland werd de O24 afgebouwd en ging patrouille varen op de Middellandse zee. Ze waren daar erg succesvol en brachten vier Italiaanse koopvaardijschepen tot zinken. De O24 zou na de O23 de meest succesvolle Nederlandse onderzeeboot zijn. Maar in 1942 werd ze overgeplaatst naar Colombo op Ceylon waar ze zich bij een Engels flottielje voegde dat de Straat van Malakka bewaakte en ingeschakeld werd bij speciale opdrachten. Zoals het aan wal zetten van spionage- en sabotagegroepen. Patrouillevaren in de tropen was uitermate zwaar. Onderwater was het aan boord dermate warm en vochtig dat het bijna ondraaglijk was. 

In 1944 kreeg Piet de Jong het commando. Ze opereerde nu vanuit Australië. In juni 1945 ging de O24 bijna ten onder. Op patrouille in de Straat Makassar viel de O24 een Japanse onderzeebootjager aan. De torpedo’s misten hun doel en de Japanner zette de aanval in. De O24 werd bestookt met 16 en later nog eens met 6 dieptebommen. Wonder boven wonder werd ze niet dodelijk getroffen.

O24; Centrum voor Audiovisuele Dienstverlening Koninklijke Marine (CAVDKM), CC BY-SA 4.0 <https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0>, via Wikimedia Commons
O24 als deze na de oorlog terugkomt in Nederland met de Jong als commandant; foto van Centrum voor Audiovisuele Dienstverlening Koninklijke Marine (CAVDKM), CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Toen de O24 werd gebouwd had Piet de ontwerper gevraagd of ze niet dieper kon duiken dan tot 100 meter wat officieel de grens was. Neen had die beslist gezegd, meer kon ze echt niet verdragen. Bij de oude duikboten die geklonken waren vlogen bij een te zware druk de losgeslagen klinknagels door de ruimte. Nou dan wist je dat je snel moest opstijgen. De O24 was gelast en Piet vroeg hoe je dan merkte of ze dreigde te bezwijken. Och, was het antwoord dan hoor je een geluid alsof zilverpapier verfrommeld wordt.

De O24 zonk aangeslagen onder de aanval diep weg en wel tot op een diepte van 116 meter en het geknisper van zilverpapier was te horen. Maar opstijgen door de ballasttanks gedeeltelijk leeg te blazen en door de elektromotor te starten kon niet. Het lawaai zou de Japanner opvangen. Ze konden niet anders dan muisstil afwachten en hopen dat de boot het zou houden. In zijn speurtocht voer de Japanner steeds verder weg. De O24 steeg tot 90 meter startte de elektromotor en maakte zich uit de voeten. Pas ver genoeg weg kwam ze, na al het ballastwater geloosd te hebben waarbij ook anderhalve ton aan drinkwater verloren ging, behoorlijk beschadigd aan de oppervlakte.  Ze hadden het overleefd.  Maar het was een narrow escape geweest.

De oorlog zat erop en hij verliet, als oorlogsveteraan van dertig jaar, de Onderzeedienst. Hij bleef bij de marine en was o.a. adjudant van de minister van defensie en van koningin Juliana. Gelukkig kreeg hij als kapitein ter zee weer een commando over een schip. Hij werd commandant op de Hr.Ms. Gelderland, een moderne onderzeebootjager uit de Friesland klasse. 

Maar hij voer amper een jaar toen hij tot zijn stomme verbazing door de KVP gevraagd werd staatssecretaris voor de Marine in het kabinet de Quay te worden. En of hij maar even direct wou beslissen. Wat was het geval, bij de kabinetsformatie was de liberaal Sydney van den Berg, een zwaargewicht, minister van Defensie geworden en om dat te neutraliseren moesten er twee confessionele staatssecretarissen komen.  De KVP zou de staatssecretaris van marine leveren, de C.H.U. die van de land- en luchtmacht. De KVP ontdekte toen dat er maar weinig katholieke varensgasten waren en zo kwam Piet de Jong in beeld. Hij was geen lid van de KVP maar dat kon geregeld worden.

Hij zei ja en ik denk dat hij dat deed omdat hij meende dat de marine hem nodig had. In het vorige kabinet was er alleen een staatsecretaris van marine geweest, nu kwam er ook één bij voor de andere krijgsmachtonderdelen. De marine zou het zwaar krijgen en als zij een beroep op je doet dan kun je niet weigeren. Trots op zijn benoeming was hij trouwens niet. Toen koningin Juliana hem beëdigde, merkte hij op: ”Majesteit, zo ziet u maar hoe een mens aan lagerwal kan raken.”

Hr.Ms. Gelderland of Nederland op koers houden, het maakte hem niet uit. Hij bleef de zeeman die met zijn droge humor elk opgewonden gedoe wist te relativeren. Zijn collega was de steile M. R. H Calmeyer van de Christelijk Historische Unie die jaloers was op hoe hij met iedereen omging en zo de marine op voorsprong zette. Piet de Jong kreeg nog wel te maken met de heikele Nieuw Guinea kwestie. De spanningen liepen hoog op en Soekarno liet een aanval uitvoeren. Bobby Kennedy kwam daarvoor naar Den Haag en besliste dat Nederland er maar afstand van moest doen. Piet vond hem “een over het paard getilde vlegel.” 

In het kabinet de Quay zat ook Jelle Zijlstra die een hoofdrol opeiste. Piet vond hem iemand die in het overleg wel erg gelijk hebberig was, maar verder stoorde hij zich niet aan hem. De Quay wel, die vond dat Jelle “een nare kruideniersmentaliteit bezat. Maar het Nederlandse publiek daarentegen waardeerde hem hooglijk en vond dat je aan hem de financiën best kon toevertrouwen. Wat helaas, zo vind ik, misplaatst was.

In 1963 bood het kabinet de Quay zijn ontslag aan en werd opgevolgd door het zwakke kabinet Marijnen en daarin werd Piet minister van defensie. Er ontstond al snel een verschil van mening over de omroepwet en het kabinet Marijnen viel uiteen. Vervolgens trad kabinet Cals (1965 – 1966) aan. Ook een eendagsvlieg net als het kabinet Zijlstra (1966 – 1967) In beide bleef hij minister van defensie.

Daarop volgden nieuwe verkiezingen de KVP bleef de grootste partij, daarnaast was er de spectaculaire winst van nieuwkomer D66. Barend Biesheuvel werd aangezocht als formateur, maar tegen zijn persoon rezen bezwaren. Hij trok zich terug en toen mocht Piet de Jong het proberen. De koningin wees in die tijd nog een formateur aan. Hij was een verrassende keuze van haar, want hij was immers geen ervaren politicus. Maar zij was gecharmeerd van hem als no nonsens figuur. Hij formeerde een kabinet van KVP, VVD, ARP en C.H.U. De kabinetsleden werden aangemonsterd op de overweging of hij ze al of niet aan boord van de O24 had meegenomen. Zo niet dan viel de kandidaat af.

Het kabinet trad zonder fanfare en zonder opgetogen verklaringen aan. Toen de pers vroeg naar wat hij meende te bereiken was zijn antwoord: “Wij passen op de winkel.” Het werd een gevleugeld woord, maar het was een vertaling van een Engels citaat dat hij gebruikte. Wat geen gevleugeld woord werd, was het antwoord op de vraag van een journalist op een persconferentie over economie. Volgens van Agt antwoordde hij toen met de opmerking: “Ik weet evenveel van economie als een aap van een verroest horloge.” Dat accepteerden de journalisten, nu zou het tot veel stampij leiden en zou hij een motie van wantrouwen aan zijn broek krijgen. 

Hij wist dus niets van economie en daar kwam hij rond voor uit. Met het bedrijfsleven had hij na de bouw van de O24 ook nooit meer iets te maken gehad. En wat wist hij van de samenleving? Een man die de meeste tijd aan boord van een schip op zee had doorgebracht.! Er werd binnenkamers aan hem getwijfeld. Maar zo heeft hij later verklaard aan boord heb je een bemanning die uit alle lagen van de samenleving is samengesteld. Die over van alles en nog wat kletst. Ik wist zo meer over wat er in de samenleving speelde, dan menig kamerlid.

Die twijfel over zijn vermogen leiding te geven verdween al snel. Hij wist van het kabinet een team te maken dat niet terugschrok voor ingrijpende beslissingen. Zijn manier van doen en zijn droge humor vielen erg in de smaak. Om een voorbeeld te geven, hem werd gevraagd wat hij van pornografie vond. Vroeger had je alleen De Lach als een gewaagd tijdschrift met foto’s van actrices in bedekkende kleding en met flauwe moppen. Mannen lazen haar graag besmuikt bij de kapper. Soekarno niet die liet zich als president altijd nog De Lach toesturen. Maar de tijdgeest veranderde, er kwamen tijdschriften op de markt die meer onthulden. Vandaar die vraag. Och, was zijn antwoord: “Pornografie is een uitstekend middel tegen zeeziekte.” Later werd bekend dat hij aan boord seksblaadjes had die zeezieke bemanningsleden mochten doorbladeren. Dat hielp tegen misselijkheid.  Toen men in België opmerkingen maakte over zijn antwoord, was zijn reactie: “Belgen zijn geen zeevarend volk.” 

Hij bleef in zijn doen en laten een zeeman die een oorlog had doorgemaakt en bleek daardoor uitstekend geschikt te zijn om in die roerige tijden een land te leiden. Hij maakte niet van elke mug een olifant. Wat politici toch vaak doen. Een mug bleef bij hem een mug. Het was de tijd waarin jongeren veelvuldig protesteerden en soms om revolutie schreeuwden. Hij had er wel enig begrip voor. Hun vaders hadden hen door de bezettingstijd wat al te streng opgevoed. Dat lawaai verontrustte hem in het geheel niet, het klonk immers niet als knisperend zilverpapier.

Die zestiger jaren waren een kantelpunt. De tijd van wederopbouw was afgesloten, de generatie van zelfvoldane bestuurders werd niet meer geaccepteerd. Een nieuwe generatie, de babyboomers wilden, besturen. Ze eisten democratisering, hervormingen en een wisseling van de macht. In Den Haag, aan de universiteit en op de werkvloer. Met de Maagdenhuisbezetting, provo enz. Bovendien ontstond er onrust in het bedrijfsleven, De concurrentiepositie van bedrijven verslechterde. Die openbaarde zich allereerst in de grote scheepsbouw en de textielindustrie waar het tot bedrijfsbezettingen kwam.

 Kabinet de Jong was een rechts kabinet maar het had oog voor de veranderende tijd en nam onder zijn leiding verscheidene ingrijpende maatregelen. Wat die waren, laat ik hier buiten beschouwing dat vergt te veel ruimte. Het was ook het eerste naoorlogse kabinet dat van 1967 tot 1971 zijn tijd volledig uitzat. Piet de Jong was bij de bevolking buitengewoon populair. Maar toch werd hij bij de verkiezingen geen lijsttrekker voor de KVP, maar G. H. Veringa zijn minister van onderwijs die volgens de KVP een progressievere uitstraling had en die bij een kabinetsformatie zowel voor rechts als links aanvaardbaar was.

Daarmee verdween Piet de Jong uit de schijnwerpers. Hij werd lid van de Eerste Kamer, werd bij enkele bedrijven commissaris en genoot van zijn oude dag. Wat wel frappant was, dat hij dat hij dat deed zonder een enkel trauma, zonder ooit een therapeut nodig te hebben. Terwijl die op de oude dag toch vaak opspelen. Maar hij mocht daarentegen graag over die periode herinneringen ophalen en ander oud bemanningsleden ontmoeten. 

Algemeen is men van mening dat vooral dankzij hem die roerige periode goed verliep. Hij wordt dan ook de meest onderschatte minister – president van ons land genoemd. Dat krijg je als je niet aan imagebuilding doet.  Maar wij zouden hem juist nu moeten herinneren. Want er moet in deze onrustige tijd bestuurd worden. Daarvoor heb je een man of vrouw met Piet zijn profiel nodig. Die bestuurt zonder er een mediaspektakel van te maken. Binnen de grote partijen met al die jonge politicologen vol geldingsdrang zo iemand vinden, heeft veel weg van bij voetbalverenigingen als DOVO, De Baronie, IJsselmeervogels en Black boys zoeken naar spelers voor het Nederlands elftal.

Misschien moeten wij maar weer eens kijken bij onze Onderzeebootdienst.         

Leeuwarden 2025