Wedstrijdzeilen rond de wereld
Voor je genoegen zeilen kon vroeger alleen zij zich permitteren die het figuurlijk voor de wind ging. Op schilderijen uit de zeventiende eeuw zie je al plezierjachten afgebeeld. Ze hadden een kajuit die luxueus was ingericht, zodat de heren en dames zich niet hoefden te behelpen. Maar deze jachten moesten ook behoorlijke zeilen, want geen schipper kan ertegen als een ander hem de loef afsteekt. Er werden soms al wedstrijden mee gezeild. De benaming jacht geeft dat al aan want die verwijst naar jagen en zo naar elkaar te snel af zijn. Toen Karel II koning van Engeland werd, gaf de stad Amsterdam hem een zeiljacht cadeau. Zo ontdekte ook de Engelse elite het spelevaren. Maar dat spelevaren bleef wel lange tijd beperkt tot beide landen.
In Nederland werd er op de binnenwateren gezeild. De Amsterdamse regenten zeilden vooral op het IJ en op het deel van de Zuiderzee bij de stad. Dat bleef lange tijd een uitje voor de elite. Een hoogbejaarde oud – directeur van een Amsterdamse verzekeringsmaatschappij vertelde mij eens, dat hij als jongen met zijn ouders mee moest te zeilen. Dat was een weekend op de Zuiderzee waarbij ze bij westenwind ’s avonds achter Schokeiland voor anker gingen. Daar lagen ze dan mooi beschut.
In Friesland zeilde in de negentiende eeuw de adel en de gegoede burgerij op de meren in boeiers en tjotters, prachtige schepen maar ongeschikt voor ruim water. De CdK van Friesland mr. Harry Linthorst Homan was een verwoed zeiler en toen hij in de jaren zestig eens een officieel bezoek aan Terschelling bracht, maakte hij gebruik van het Friese statenjacht. Toen ze terug zouden gaan woei het stevig. Hij sloeg het advies om niet met de boeier terug te zeilen letterlijk en figuurlijk in de wind. In de Waddenzee tegen de hoge golven opkruisen bleek te zwaar. Door het prangen ging de boeier zwaar lekken en ze haalden op het nippertje Harlingen waar de brandweer het schip moest leegpompen.
Zeilen als ontspanning kwam pas binnen bereik van de gewone man toen kapper Bulthuis uit Bergum in de jaren twintig van de vorige eeuw de goedkope lattenbouw bedacht. Eerst was dat de kleine BM er maar het was de vergrote BM er die een doorslaand succes werd. Het werd veruit de populairste zeilboot in ons land en bleef dat tot in de zeventiger jaren.
In Nederland werd ter ontspanning vrij weinig op zee gezeild. Logisch want bij de overheersende westelijke wind is de Nederlandse kust een gevaarlijke lagerwal. In Engeland daarentegen was zeilen op riviermonden en vlak onder de kust heel goed mogelijk. De vaste wal was daar een beschutte hogewal. In de negentiende eeuw werd zeezeilen in Engeland steeds populairder en er werden zeilwedstrijden georganiseerd die veel publieke belangstelling trokken. Daaraan droeg ook de koninklijke familie bij. Zo bezat koningin Victoria het jacht Victoria and Albert dat ook voor representatieve doeleinden werd gebruikt. Met prins Edward in een matrozenpakje. De eerste echte kinderkleding die Europa, Noord – Amerika en Japan bijzonder populair werd.
Edward had de naam een playboy te zijn maar daarnaast was hij een verwoed zeiler. Hij liet de Britannia bouwen, een gaffelkotter, die ondanks zijn luxueuze inrichting, vooral bedoeld was als wedstrijdjacht. Met een vaste bemanning van maar liefst 35 man. Ter vergelijking een viermastbark van vierduizend ton werd toen gezeild met een bemanning van vijfentwintig man! Zij kwam in 624 wedstrijden uit en won 231 keer de eerste prijs. Toen hij als koning Edward II in 1936 stierf, moest overeenkomstig zijn laatste wil, de Britannia weggebracht worden. Ze werd na enig ceremonieel op zee tot zinken gebracht. Dat doe je alleen als je op je schip verliefd bent en niet verdraagt dat ooit een ander haar krijgt.
Bij ons deed in de twintigste eeuw o.a. Kees Bruynzeel, de Zaanse houthandelaar, met zijn hechthouten schepen Zeearend en Zeeslang als een van de weinigen mee aan wedstijdzeilen op zee. Zo won hij in 1937 de prestigieuze Engelse Fastnet race. Kees was ook de oprichter van de Noordzee club een vereniging van zee wedstrijdzeilers. In Friesland was Piet Oberman, de grote verzetsheld, in zijn jonge jaren een bekwaam zeezeiler. Maar dan wel als tour zeiler met durf want hij vertelde mij met enige trots dat hij eens de haven van IJmuiden binnenliep terwijl door de storm de loodsdienst al was gestaakt!
Wedstrijdzeilen was dus populair in Engeland maar de races werden of onder de kust of anders over vrij korte afstanden op volle zee, gehouden. Het was door toedoen van Francis Chichester (1901 – 1972) dat er vanaf einde jaren zestig oceaan races rond de wereld werden gehouden. Hij was een avontuurlijke man, een vliegenier die in 1953 het zeilen ontdekte en een succesvol wedstrijdzeiler werd. Zo won hij in 1960 de eerste Observer’s Single – handed Trans – Atlantic Race. Die niet alleen een race was, maar ook bedoeld was als een wetenschappelijk experiment om te zien hoe men zich onder stress en eenzaamheid hield.
In 1958 werd bij hem kanker vastgesteld, waarvan hij, naar later bleek slechts tijdelijk herstelde. Hij was nu vijfenzestig jaar en hij wou zijn herstel “beleven” door met zijn jacht de Gipsy Moth IV een soloreis rond de wereld te maken. Met alleen in Sydney een tussenstop. Toch wel een merkwaardig verlangen, bejaarden horen te gaan golfen en niet de golven op te zoeken.
Hij vertrok in 1968 uit Plymouth en volbracht zijn eenzame tocht in 226 dagen waarbij hij 15.500 zeemijlen had afgelegd. Zo’n unieke prestatie bleef in Engeland natuurlijk niet onopgemerkt en er stond hem bij zijn terugkomst in Plymouth een groots onthaal te wachten en miljoenen zaten aan de buis gekluisterd. Hij werd geïnterviewd maar erg spraakzaam was hij niet en op een vraag wat hem bezield had om die tocht te ondernemen was zijn antwoord: “Het doet je intenser leven.” Een nadere toelichting vond hij overbodig.
Heel Engeland had hem op zijn reis gevolgd en was mateloos trots op hem. Zo’n monstertocht volbrengen dat kon alleen een Engelsman, zo concludeerde het volk. Koningin Elisabeth II sloeg hem op 7 juli 1967 tot ridder en deed dat met hetzelfde zwaard waarmee koningin Elisabeth I dat in 1581 Francis Drake had gedaan. De eerste Engelsman en ’s werelds derde zeeman die toen een reis rond de wereld had volbracht.
Dat enthousiasme was goed verklaarbaar. Engeland maakte een periode van vernedering door. Althans zo werd dat door de bevolking ervaren. Ze hadden weliswaar de Tweede Wereldoorlog mede gewonnen, maar hun verslagen tegenstander Duitsland overtrof hen ondertussen wel in welvaart. Terwijl zij nog steeds gebukt gingen onder de oorlogsinspanning. Bovendien brokkelde hun wereldrijk snel af. Het ene land na het andere eiste onafhankelijkheid op en had geen goed woord over voor hun voormalige kolonisator. Men snakte naar iets waar ze als Engelsen trots op konden zijn.
In 1740 schreef James Thomson een hymne die op muziek werd gezet door Thomas Arne. Het refrein was: Rule, Britannia! Rule the waves. Toen nog een wensdroom, want Nederland was als grote mogendheid weggezakt, maar was op zee nog wel een geduchte concurrent. Maar die wensdroom was volgens de Engelsen in de Victoriaanse tijd in vervulling gegaan want van toen af aan zong men bij community singing uit volle borst: Rule Brittannia, Brittannia rules the waves. Britons never shall be slaves. Die song droeg bij aan het zelfbeeld van de Engelsen dat zich een superieur volk waande.
Welnu, sir Francis verschafte hen de illusie dat – dankzij Engels zeemanschap en moed – Britannia nog steeds de golven beheerste en dat zij alle andere volkeren op zee nog steeds overtroffen. Dat kon niet vaak genoeg bevestigd worden. Er ontstond een rage in “Ocean races” waarbij de Engelsen dachten met hun herwonnen arrogantie die races wel te zullen winnen. Een jaar later organiseerde het dagblad de Sunday Times al de eerste oceaanrace voor solozeilers. De race werd overschaduwd door de zelfmoord van Donald Crowhurst die met zijn catamaran niet Kaap Hoorn durfde te ronden. Hij fingeerde dat hij aan kop lag en de Britten bereidden hem al een heldenontvangst voor. Hij stapte echter bij de Azoren overboord om aan de schande van een onthulling te ontkomen. De Britten waren ontgoocheld.
In 1973 ging er weer een race rond de wereld van start. Deze werd gesponsord door de bierbrouwer Whitbread en de British Naval Sailing Association. Dit keer was het geen solorace maar een strijd tussen jachten met maximaal een bemanning van 14 personen. Er namen 17 jachten aan deel met in totaal 167 bemanningsleden. Er zou zo 27.500 zeemijlen worden afgelegd. De start was in Plymouth en de race zou in 4 etappes worden afgelegd. De race volgde de route van de grote zeilvaart op Australië en Zuid – Amerika. Met een eerste tussenstop in Kaapstad en de tweede in Sydney. Het lag in de bedoeling om voortaan die race om de drie of vier jaar te houden.
Het was voor de Engelsen wel even slikken want die eerste race werd gewonnen door Ramon Carlin, een Mexicaanse miljonair, met zijn jacht Sayula II. Maar het werd voor de chauvinistische Engelsen nog erger en wel door toedoen van de Nederlander Conny van Rietschoten. Deze Rotterdammer, een geslaagd ondernemer, maar vooral een gedreven zeezeiler, kon de verlokking van deze race niet weerstaan. Hij verkocht zijn bedrijf, liet een jacht de Flyer ontwerpen door de bekende ontwerper Olin Stephens en zeilde als voorbereiding minstens 10.000 mijlen op zee. Hij bracht vervolgens nog een groot aantal verbeteringen aan en beproefde diverse zeilers of die als bemanningslid deze uitputtingsrace wel aan konden. Zo deed hij goed voorbereid mee aan de race van 1977/78 en die won hij. Daar liet hij het niet bij, hij liet een nieuw jacht ontwerpen, de Flyer II en deed in 1981 opnieuw mee. Hij won die race zeer overtuigend en verbeterde het snelheidsrecord, en bracht de duur van de race terug tot 120 dagen. Hij kreeg in Rotterdam een groot onthaal. Meer dan 80.000 mensen stonden langs de Nieuwe waterweg hem op te wachten.
Hij hield een lezing voor de Kaap Hoorn vereniging en vertelde dat hij in de Roaring Forties een lichte hartaanval kreeg, die hij geheimhield. De concurrentie hoefde niet te weten dat hij verzwakt was. Hij liet toen ook een film zien waarop de Flyer II als een surfplank over de golven racete. Wij als toeschouwers, toch allemaal zeilers, hielden ons hart vast. De bemanning verkeerde in een roes en Conny moest ze voorhouden om toch vooral oplettend te blijven en niet roekeloos te worden. Want als de Flyer II in die golven van 10 tot 15 meter hoogte dwars sloeg, dan ging ze ten onder. Dat overkwam menig schip in de periode van de grote zeilvaart dat zo met man en muis verging.

*8 april 1982; Foto van Rob Croes for Anefo, CC BY-SA 3.0 NL https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/nl/deed.en, via Wikimedia Commons
Ondertussen had Whitbread en de Sailing Association er genoeg van. Bier werd aan boord niet gedronken en aan de wal ook al niet want er viel niets te vieren. De Engelsen legden nu niet alleen op het land maar ook op zee het tegen die verfoeide foreigners af en dat kwam hard aan. In plaats van een biertje had je een straffere hardversterking nodig.
Volvo nam de race over en maakte er een ware commerciële gebeurtenis van. De jachten, eerst nog prachtig gelijnde schepen, werden snelheidsmonsters die zo licht mogelijk moesten zijn. Ze waren alleen maar gebouwd voor dat soort races. Van binnen slechts een kale romp waar eigenlijk niet te verblijven viel. Kooien met matrassen ontbraken. Slechts wat hooi en slaapzakken om even in te slapen. Niet voor de gehele bemanning maar voor slechts één wacht zodat men geen eigen slaapzak had. De maaltijden bestonden uit gedroogd voedsel, die met water, half zoet half zout, aangelengd en warm gemaakt werden.
Alles werd eraan gedaan om een schip zo licht mogelijk te maken. Tot op het absurde. Een schipper bedacht dat de closetpot van de wc te veel woog. Het kon wel primitiever. Maar daar kwam hij toch op terug Ik heb eens een oud bemanningslid gesproken, die zei dat de bemanning dat primitieve leven aanvaardde, het hoorde nu eenmaal bij die wedstrijdzeilerij. Maar toen een schipper zei, dat ze met elkaar wel met een tanden borstel toekonden, was bij de bemanning de maat vol.
De Whitbread race was in de jaren zeventig niet de enige world ocean race die gehouden werd. De grote belangstelling lokte concurrentie uit. In 1975 ging de “Financial Times Clipper Race Round the World” van start. Veel deelnemers waren er niet. Niet zo verwonderlijk zo vlak na de Whitbread race. Maar 4 jachten deden eraan mee. Daarbij was een Nederlands jacht met Henk Huisman, die in Twellegea een verhuurbedrijf van zeilboten had en Derk Nauta. Zij voeren mee met de stalen kits The Great Escape die in 1973 was gebouwd voor het cruisen met gasten. Een pracht naam voor mannen die de zee liefhebben, zo vond ik. De bemanning bestond uit 11 mannen en twee vrouwen. Ze deden mee voor spek en bonen, want het schip was te zwaar om ook maar enige kans te maken de race te kunnen winnen. Desondanks leverde hun deelname in Nederland veel publiciteit op en in de daaropvolgende Sneekweek werd The Great Escape gekozen tot het Schip van het Jaar. Daar heb ik haar toen goed bekeken, ik had ook eerder als gast kunnen meevaren, maar had het veel te druk met mijn werk. Dat speet mij wel.
Ik herkende haar dan ook direct toen ik op de Sumatrakade stond en keek naar de schepen die over het IJ voeren. Dat kon niet anders dan The Great Escape zijn alhoewel zij – het was 2003 – eruitzag als een oude dame die moeilijke tijden had gekend. Aan boord bevond zich een jonge kerel die niet bepaald bevaren was, want toen hij probeerde af te meren en dat voor mijn neus wou doen, ging dat wel erg stuntelig. Bij een derde mislukte poging kon ik mij niet langer inhouden en begon wat aanwijzingen te roepen. Waarop hij reageerde met de vraag of ik niet – als hij weer een poging ondernam – aan boord wou springen. Maar daarvoor ontbrak het mij op mijn gevorderde leeftijd aan lenigheid en durf. Maar met wat adviezen, die nu meer leken op bevelen, lukte het hem uiteindelijk toch zonder ernstige beschadigingen aan te leggen.
Uiteraard volgde daarop een gesprek. Hij vertelde dat hij uit Zuid-Duitsland kwam, in Amsterdam belandde en daar de zwaar verwaarloosde The Great Escape zag liggen. Hij die niet kon zeilen en nog nooit op zee was geweest, werd op slag verliefd en had haar gekocht. Vervolgens was hij aan het opknappen gegaan. Daar waren een paar jaren mee gemoeid geweest en nu enkele weken geleden was het werk afgerond. Hij moest hier zijn om iemand op te pikken die het kompas kwam stellen.
Over een paar dagen ging hij met de eerste Duitse gasten op de Noordzee zeilen! Ik stond perplex en overwoog nog te zeggen dat dit volkomen onverantwoord was. Maar ik zweeg en hoopte dat de zee deze jonge Duitser genadig zou zijn. De zee heeft de reputatie genadeloos te zijn voor mannen die haar niet serieus nemen, maar hier ging het om een aardige verliefde jonge vent. De zee zou hem moeten koesteren, zo hoopte ik maar en dat deed ze.
Want in de weken daarna volgde ik de kranten nauwlettend. Maar er stond geen onheilsbericht in. Ook in de verslagen van de KNRM, de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij, vond ik niets over hem. The Great Escape was dus niet op haar maiden trip gestrand, aangevaren of gezonken. Maar ik heb haar ook nooit meer in Amsterdam teruggezien. Zou hij elders op de Middellandse zee of de Oostzee zijn gaan cruisen? Of zou hij haar al snel weer verkocht hebben en was hij ontgoocheld teruggekeerd naar de binnenlanden van Duitsland? Hoe zou het The Great Escape verder zijn vergaan? Voor mij is zij, zoals met zovele schepen, een van die raadsels waaraan de zee zo rijk is.
Leeuwarden 2024