Skip to content
Home » Artikelen » Toen mest een must was  

Toen mest een must was  

De rijke geschiedenis van mest

Geen landbouw zonder bemesting. Wanneer de grond niet bemest wordt, raakt hij uitgeput en lopen de opbrengsten van de verbouwde gewassen sterk terug. Oogsten mislukken dan ook vaker met hongersnood als gevolg. Voldoende mest verkrijgen was het grote probleem waarmee de landbouw eigenlijk vanaf zijn ontstaan mee te maken had. Nederland was al vanaf de zestiende eeuw niet meer zelfvoorzienend en moest rogge importeren uit het Oostzeegebied. Maar ook elders in Europa deed zich dit probleem voor.

Dat verergerde door de industriële revolutie. Die schiep aanzienlijk meer werkgelegenheid en maakte een sterke toename van de bevolking mogelijk. Maar om die te kunnen voeden zou de landbouw aanzienlijk meer moeten voortbrengen. Een hogere opbrengst was alleen mogelijk door een intensiever gebruik van het bestaande landbouwareaal of door uitbreiding ervan. Beide waren alleen mogelijk als er voldoende mest beschikbaar was om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden of om arme grond te kunnen ontginnen.

Ook de teelt van een nieuw gewas kon uitkomst brengen. In de achttiende eeuw werd de aardappel geïntroduceerd en deze bezat een veel grotere voedingswaarde dan de graangewassen en kon dus ook meer mensen voeden. Maar het was een gewas dat de grond sterk uitputte en een zware bemesting vroeg. Dat bleek in 1845 toen de aardappeloogst op de inmiddels uitgeputte grond mislukte en in Europa een grote hongersnood veroorzaakte. 

Als mest diende van ouds de fecaliën van mens en dier, die zorgvuldig verzameld werden. Maar die hoeveelheid was beperkt en het nadeel was bovendien dat die mest niet gemakkelijk vervoerd kon worden. Alhoewel de poep, beer genaamd, van de inwoners van Amsterdam afgezet werd tot in Brabant. De opening in 1826van de Zuid-Willemsvaart was vooral bedoeld om het transport van mest naar Noord – Brabant en naar België waarmee wij toen nog verenigd waren, te vergemakkelijken.

Er werd dan ook voortdurend gezocht naar grondstoffen die als mest gebruikt konden worden. Zoals allerlei afvalproducten als haardas, visafval, vermalen beenderen enz. Die wanhopige speurtocht had soms ongewenste gevolgen. Zo leed Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw onder de snelle verspreiding van kroos. Die verstopte sloten en belemmerde zelfs de scheepvaart. Dat kroos werd waterpest genoemd en kwam van oorsprong uit Noord-Amerika.  Volgens een verklaring zou het door ballastwater van schepen zijn aangevoerd, maar er is ook een andere verklaring. Namelijk dat botanici van Utrechtse universiteit daarvoor verantwoordelijk waren. Die zouden het uitgezet hebben in een deel van de stadsgracht om zo het te kunnen bestuderen.

In die tijd was C.  A. Bergsma, die afkomstig was uit Friesland, professor in Utrecht. In Friesland was het gebruik dat de inhoud van sloten en watergangen die jaarlijks gehekkeld werden voor een goede afstroming, als mest over het land verspreid werd. Bij sloten langs de wegen was de helft voor de boeren en met de andere helft werd de weg opgehoogd. Misschien heeft Bergsma gedacht dat dit kroos goed als mest te gebruiken viel. Maar dat is een veronderstelling van mij.

Ook beenderen werden vermalen en als mest uitgestrooid over het land. Dat gebeurde niet alleen met beenderen van dieren maar ook van soldaten uit de massagraven van de slag bij Waterloo. Die gingen naar Engeland niet om als Engelse militairen op een ereveld te worden bijgezet maar om tot meststof te worden vermalen. Landarbeiders in Utrecht hadden in de winter een bijverdienste door botten op te graven op een plek waar die in groten getale lagen. Dat waren de botten van de Alde Friezen want op die plek lag Dorestad.

Aan die wanhopige speurtocht kwam een einde door een vogel de cormorant of te wel de aalscholver. Deze vogel tref je bijna overal ter wereld aan. Ook bij ons maar wel in geringe aantallen, want de binnenvissers vonden hem een geduchte concurrent en maakten er jacht op. Maar in Zuid – Amerika leven aan de westkust van Chili en Peru grote kolonies aalscholvers. In 1999 werd het aantal nog geschat op 2,5 tot 5 miljoen en zij leven van de vis in de rijke von Humboldt stroom die daar vlak langs de kust loopt. 

Aalscholver – Bruno Girin from London, United Kingdom, CC BY-SA 2.0 , via Wikimedia Commons

Het was Alexander von Humboldt, geleerde en ontdekkingsreiziger, die op zijn Amerikaanse reis in 1802 zag dat de Peruanen met kleine bootjes vogelmest, die zij guano noemden, van de Chincha’s haalden. Drie kleine eilandjes 12 mijl uit de kust van Peru. Zij gebruikten die onwelriekende substantie om hun landerijen te bemesten. Met een duidelijk positieve uitwerking. Hij nam in 1804 enkele monsters mee naar Europa en probeerde die uit. Maar het duurde nog tot 1840 voordat men zich ten volle realiseerde dat guano een uitzonderlijke meststof was. Maar toen ging het ook snel.

 In 1842 werd de eerste guano, bestaande uit natriumnitraat met als gering bij mengsel fosfor, naar Europa verscheept. Het bleek een wondermiddel te zijn, want een ton guano bleek dezelfde uitwerking te hebben als dertig ton goede stalmest! Daarbij kwam als extra voordeel dat die droge guano gemakkelijk met wagens te transporteren viel en ook in kleine hoeveelheden verdeeld kon worden, zodat ook kleine boeren guano konden aanschaffen.  

De guano zorgde ervoor dat schrale grond, zoals onze heidevelden in oostelijk Nederland en in geheel Noord – Duitsland ontgonnen konden worden. Zo werd guano in een mum van tijd een onmisbare meststof en maakte een verdere economische groei van vele Westerse landen mogelijk. Het delven van die vogelmest werd al snel grootscheeps aangepakt en zo werd er al na enige jaren al meer dan 500.000 ton guano jaarlijks naar de VS en Europa verscheept.

Die afhankelijkheid van guano veroorzaakte spanningen en leidde soms zelfs tot oorlogen, want die eilanden waren in bezit van Peru. Naar westers oordeel een onberekenbaar Zuid – Amerikaans land. Het eerste land dat probeerde deze eilanden in te lijven was Spanje, dat weliswaar als kolonisator uit Zuid – Amerika verdreven was, maar desondanks meende nog aanspraak op de eilanden te mogen maken. Maar door een samengaan van enkele Zuid Amerikaanse landen slaagde Spanje er niet in die eilanden te bezetten.  

Vervolgens probeerden Amerikaanse particulieren de eilandengroep te exploiteren door ze bij de VS in te lijven. Volgens het succesvolle Amerikaanse recept van verovering waarbij aanwezige Amerikaanse handelaren zich bedreigd voelden of suggereerden dat te zijn en de bescherming van hun moederland inriepen. Die greep in, bezette het land en lijfde het na enige tijd in. Deze poging mislukte echter omdat de Engelsen en de Fransen al bij de voorbereiding van de plannen hoorden en de VS lieten weten dit niet toe te staan en te zullen ingrijpen. Deze methode waarvan o.a. Mexico en Samoa in de Pacific het slachtoffer werden, zou nog voor het laatst later bij de inlijving van Hawaii, een onafhankelijk koninkrijk, worden toegepast. 

Nu die bezetting niet doorging nam de VS in 1856 de z.g. guano wet aan die inhield dat alle eilanden tussen de gordel van 10 graden NB en ZB die door Amerikanen als eerste werden betreden, tot grondgebied van de VS werden verklaard. Zo eigende de VS zich wel zeventig tropische eilanden toe! Deze eilanden lagen in een gordel waar nagenoeg geen regen viel zodat de mest niet wegspoelde en waar de zee zo visrijk was dat daarop grote vogelkolonies waren. Midway waar in de Tweede Wereldoorlog de beslissende zeeslag tussen de VS en Japan werd uitgevochten, was zo’n voormalig guano eiland.

Het delven van guano was een groot probleem. De Chincha’ s waren onbewoond en dus moesten arbeidskrachten van elders worden aangevoerd. De nazaten van de Inca’s hadden daar geen zin in. Het was zwaar en bijzonder ongezond werk.

Dus werden er arbeidskrachten van elders gehaald. Dat waren vooral contractarbeiders uit China. Deze koelie arbeid verving in feite de slavenarbeid. Op papier kregen deze Chinese koelies een contract voor zes jaar waarna zij recht op een gratis terugreis hadden. Maar die zes jaar haalden ze niet. Daarop werd ook aangestuurd, want dode Chinezen hoefde je niet terug te brengen. Er waren goedgelovige Chinezen die erin trapten maar de meeste werden gedwongen om in het buitenland te gaan werken door triades, Chinese maffia bendes. Die leverden niet alleen koelies voor de Chincha’s maar ook voor de suikerrietteelt in Australië, de tabaksteelt op Sumatra en voor de aanleg van spoorwegen in de VS. Eens was de wanhoop onder een groep van wel 300 Chinezen op de Chincha’s zo groot, dat zij collectief zelfmoord pleegden. Ze gaven elkaar een hand en sprongen van de rotsen in zee.   

Behalve Chinezen werden ook bewoners van eilanden in de Pacific geronseld of beter gezegd ontvoerd voor plantage arbeid en guano delven.  Dat werd black birding genoemd en zo werd bijvoorbeeld een groot deel van de mannelijke bevolking van Paaseiland gekidnapt en naar de Chincha’s gebracht waar ze niet levend vandaan kwamen.

De voorraad aan guano slonk echter snel en dat was zorgelijk. Maar toen werd zuidelijk van de Chincha’s aan de kust in de Atacama woestijn een ontdekking gedaan. Men trof er zoutafzettingen aan die ontstaan waren door verdamping van het water dat vanuit de Andes daar naar toestroomde. Normaliter zouden die ooit door neerslag opgelost of weggespoeld zijn, maar in die permanente extreem droge woestijn was dat niet gebeurd. Deze afzettingen bleken nu rijk aan natriumnitraat te zijn net als de guano.

Deze woestijn lag in een gebied dat aan Bolivia toebehoorde, maar de exploitatie vond plaats door bedrijven vanuit Chili. Dit leidde tot moeilijkheden en in 1879 – 1884 werd om dit gebied tussen Chili enerzijds en Bolivia en Peru anderzijds een oorlog uitgevochten. Deze nitraat oorlog werd door Chili gewonnen en voortaan werd het product als Chilisalpeter verkocht. De export bedroeg in 1859 slechts 75.000 ton. In 1900 was deze al gestegen tot 1.000.00 ton waarvan een derde naar Duitsland ging en een aantal jaren later zelfs tot 2.500.000 ton.

Vooral Duitsland was een grote afnemer. Dat land streefde naar autarkie en dat kon alleen bereikt worden door de arme zandgronden zwaar te bemesten. De vraag naar deze kunstmest stimuleerde de Duitse scheepvaart want er waren verscheidene rederijen die zich op de aanvoer van Chilisalpeter toelegden. Het was de rederij Ferdinand Laeisz uit Hamburg die voor die vaart “moderne” zeilschepen inzette, namelijk stalen viermastbarken die tegen de weersomstandigheden bij Kaap Hoorn waren opgewassen.

In tegenstelling tot vele andere zeilschepen. Het ronden van Kaap Hoorn geteisterd door westerstormen was voor zeilschepen op de heenvaart die er tegenop moesten tornen, een zware opgave en voor de bemanning vaak een hellevaart. Veel schepen vergingen en veel zeelui sloegen overboord of raakten invalide. In 1906/08 gingen bijvoorbeeld alleen al 26 Engelse schepen bij Kaap Hoorn ten onder waarbij 371 zeelieden omkwamen. Daarnaast waren er nog vele gewonden.

Hoe belangrijk chilisalpeter voor de Duitse landbouw was, bleek tijdens de Eerste Wereldoorlog. In het gedenkboek van Hoechst A. G. één van de drie grote chemiebedrijven van Duitsland, staat dat voor 1914 de Duitse militaire leiding niet besefte, dat chilisalpeter een noodzakelijke grondstof voor het produceren van dynamiet was! Ze beschouwden dat goedje als een ordinaire mestsoort en zo ontbrak bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een strategische voorraad. Dus werd de aanwezige Chilisalpeter onttrokken aan de landbouw met als gevolg dat de oogsten dramatisch daalden en er na afloop van de oorlog, de geallieerden hielden de import van kunstmest en graan nog een tijdlang tegen, in Duitsland een hongersnood ontstond waardoor verscheidene mensen overleden!

Er mocht in Chili grote hoeveelheid salpeter liggen, naar schatting een tweehonderd miljoen ton, maar die zou bij die enorme vraag toch snel uitgeput raken. Er dreigde dus op niet al te lange termijn een nieuwe mestcrisis. Degene die daarvoor waarschuwde was Sir William Crookes. Deze bekende Engelse natuurkundige die verscheidene ontdekkingen op zijn naam heeft staan, hield in 1903 een speech, die in de pers een wanhoopskreet werd genoemd. En die kreet trok wereldwijd aandacht.  “De tarwe oogst hangt af van de nitraat reserve van Chili. Er staat de wereld onvermijdelijk een hongersnood te wachten, als het ons niet lukt om het nitraat probleem op te lossen.” Zo voorspelde hij.

Welnu die ramp kwam niet over ons. In 1910 lukte het de Duitse chemicus Fritz Haber om stikstof uit de lucht met waterstof te verbinden tot ammoniak die weer gebruikt kon worden als basis voor de productie van kustmest en in de Eerste Wereldoorlog vooral voor de productie van springstof.  Maar een beletsel was wel dat dit proces erg veel energie vraagt. Deze Fritz Haber ontving in 1918 alsnog de nobelprijs waarbij veronachtzaamd werd dat hij in de Eerste Wereldoorlog strijdgassen ontwikkelde die veel soldaten een ellendige dood bezorgden. Over het gebruik van kunstmest is ondertussen een discussie uitgebroken, want zo is vastgesteld, de bodem raakt er door uit balans.

Was vroeger het probleem hoe komen wij aan voldoende mest, nu is het probleem in Nederland hoe komen wij van al die mest af. Want er bestaat door de omvangrijke veeteeltsector geen mest te kort meer maar een mestoverschot. In 2021 werd er alleen al in ons land 73,4 miljoen ton mest geproduceerd. Die grote hoeveelheid mest verontreinigt onze bodem en onze binnenwateren. Over wat wij daaraan moeten doen, bestaat grote onenigheid. Zo zien wij dat met de tijd zaken ingrijpend kunnen, veranderen. Namelijk van een tekort naar een overschot. Om met onze dichter Bredero te eindigen: Het kan verkeren

Leeuwarden 2026