Skip to content
Home » Artikelen » Van de koude grond

Van de koude grond

Over status en onze veranderende taal                                                     

Een expat die na een aantal jaren in Nederland terugkeert, voelt zich hier ontheemd. Er is
namelijk veel veranderd. Er zijn nieuwe wegen aangelegd, steden zijn uitgebreid en het
dienstbetoon is verminderd. Voorts is de bevolking ook nog enkele graden onbeschofter en de
ambtenarij nog afstandelijker geworden. Maar wat hem bovenal irriteert, is dat hij menig
gesprek, interviews en discussieprogramma’s niet goed meer kan volgen. Waar hebben ze het
in hemelsnaam over, zo vraagt hij zich vaak af. Er worden – voor zover men elkaar nog laat
uitspreken – woorden en uitdrukkingen geslaakt waar hij geen weet van heeft.
Hij wordt geconfronteerd met het verschijnsel dat onze taal onderhevig is aan snelle
veranderingen. Woorden en uitdrukkingen worden te pas en te onpas gebruikt, raken daardoor
versleten en verdwijnen uit het spraakgebruik. De Nederlandse taal is nu eenmaal weinig
slijtvast.
Maar ook vroeger in gezapiger tijden bleef niet alles bij het oude. Dr. L. M. Metz betreurde
het dat veel woorden die eeuwenlang in het dagelijkse leven gebruik werden uit onze taal
dreigden te verdwijnen of al waren verdwenen en dat later niemand meer zou begrijpen wat ze
betekend hadden. Het bracht hem ertoe een boek te schrijven, dat in1937 verscheen met de
titel Woordverklaringen.
Daarin had hij woorden bijeengebracht die niet meer gebruikt werden of binnenkort zouden
verdwijnen en waarvan hij de betekenis uitlegde. Het werd een heel boekwerk van liefst 612
bladzijden en ook nog in kleine letters! Een waar genot om het door te bladeren. In 1992
schreef Marc de Coster een soortgelijk boek: “Woordenboek van jargon en slang”. Ingedeeld
naar de groepen die dat gebruikten. Het is een niet minder dik boek. Maar nu – dertig jaar
later – zullen velen niet meer begrijpen wat jargon betekent en al helemaal niet waar slang
voor staat.
Waarom verandert er zoveel in onze taal? In de eerste plaats omdat wij graag inheemse
woorden vervangen door buitenlandse. Die maakten meer indruk. Eerst was dat Frans, zo
werd een taats vervangen door punaise en keest door essence en kaar door reservoir. Om maar
een enkel voorbeeld van Metz te noemen. Vervolgens kwam het Duits opzetten. Om ten slotte
ons uit te leveren aan het Engels. Reclameteksten zijn bijna volledig in het Engels gesteld.
Aanwijzingen in de Amsterdamse tram idem dito. In collegezalen, bedrijfskantoren enz.
wordt steeds vaker steenkool Engels gesproken. Een weinig opmerkzame buitenlander denkt
vast dat Nederland een tweetalig land is.
Ondertussen zijn ook de meeste vaktalen verdwenen. Daarnaast is er een nieuwe vaktaal
ontstaan en wel die rond de computer en internet. Opkomst en verdwijnen worden bepaald
door technologische veranderingen. Zo is de vaktaal in het krantenbedrijf met de zetters en
drukkers verdwenen. Zeelui zijn er nog steeds. Maar hun taal was vroeger die van de
windjammer en die past niet bij een containerschip. Zelfs op de zeilschepen die nog varen,
worden woorden als marszaling, voorstengestagzeil niet meer gebruikt.
Dan was er de geheimtaal. Voorheen bedoeld om klanten ongewis te laten met wat de
verkopers voor hadden. Duitse lapke poepen – textielhandelaren uit Duitsland – hielden die
erop na. Voorts vletterlui dat zijn lieden die schepen hielpen bij het aanleggen. De taal waarin
de huidige criminele groepen via internet communiceren kun je vergelijken met het vroegere
Bargoens. Dat ook een geheimtaal was.
Tenslotte is er nog de verhullende, omfloerste taal die politici en bestuurders gebruiken om
onprettige beslissingen, harde waarheden enz. aan te kondigen. Een reorganisatie is een
ontslagronde doorvoeren. Evalueren is een probleem wegschuiven door bijv. een commissie
in te stellen. Klankborden is aanhoren zonder te luisteren. Elke dag worden er nieuwe
verzonnen, want het is niet de bedoeling dat men doorkrijgt wat er werkelijk mee bedoeld
wordt. Deze zijn waarschijnlijk al ouderwets geworden.

De uitdrukking van hij “komt van de koude grond” had ik lange tijd niet gehoord. Maar nu
hoorde ik onlangs een groenteboer die gebruiken als aanprijzing voor zijn groente. Passend bij
biologisch dynamische kweken (?) van groente en fruit. Vroeger hoorde je deze aanduiding
vaker en dan werd hij niet alleen door een groenteboer gebruikt. Maar dan als een negatieve
kwalificatie voor personen. Ik voelde mij een taalarcheoloog toen ik bedacht dat het – voor
zover dat zou lukken – best leuk zou zijn om uit te zoeken waar die uitdrukking vandaan
kwam.
De oorsprong had ik snel uitgezocht. Dat lag eigenlijk voor de hand. Die stamde uit de tijd dat
de glastuinbouw opkwam. Deze glastuinbouw begon – midden negentiende eeuw – met lage
platte kassen waarbij onder glas vooral sla werd gekweekt die zo beschut was tegen weer en
wind en tegen aanvallen van ongedierte. Deze kassen vond je daarvoor alleen maar op
buitenplaatsen met moestuinen en parken.
Al gauw daarop ging men de hoogte in en even later werden die kassen zelfs verwarmd. Dat
gebeurde in het Westland. Niet toevallig, de grond was geschikt en de tuinders konden de
kassen stoken met goedkope afgewerkte olie van schepen uit Rotterdam. In die verwarmde
kassen kweekte men vooral druiven. Grote, prachtig ogende druiven, maar ze smaakten zuur.
Je gaf ze bij een bezoek aan patiënten in het ziekenhuis. Of je kreeg ze zelf in een fruitmand
ter gelegenheid van iets. Want ze zo maar kopen deed je niet daarvoor waren ze te duur.
Groente onder glas betekende dat er zorg aan besteed werd. Sla van de koude grond moest
zonder zorg uit zichzelf opgroeien. In tegenstelling tot die kasplantjes waarin geen slak of luis
zat. Groente uit de kas was gewild, er werd meer voor betaald en zo werd die van de koude
grond weggezet als inferieur. Groente die de sporen droeg van een verwaarloosde groei.
Deze kwalificatie verspreidde zich van de tuinbouw en de groentewinkel naar de samenleving
en kreeg een negatieve lading. De denigrerende toevoeging stond voor iemand die volgens
het woordenboek “niet verzorgd” en “zonder werkelijke deskundigheid” uitspraken doet. Veel
mannen en ook vrouwen die ergens een mening ten beste gaven, konden zo terecht of
onterecht worden weggezet. Zoals op 17 januari 1968 Harry Mulisch overkwam. De
Telegraaf schreef toen: “Dit geschrift van Mulisch druipt eenvoudig van zelfingenomenheid,
pseudo filosofie en psychologie van de koude grond.” Dat was terecht vind ik en met mij ook
anderen.
Nog dodelijker was de beoordeling van W. F. Hermans, Nederlands grootste schrijver van de
vorige eeuw, die kwalificeerde hem ergens als: “Die filosoof met zijn onafgemaakte mulo-
opleiding.” (Het was volgens sommige bronnen een Lyceum) Mulo is de afkorting van
middelbaar uitgebreid lager onderwijs. Jongens en meisjes die dat diploma hadden, brachten
het meestal niet verder dan schrijver op de secretarie. Dat lukte Harry Mulisch met zijn koude
grond geschrijf wel. Hij wist zichzelf uitstekend te verkopen en werd daarbij geholpen door
de Amsterdamse grachtengordel. Daar moesten die andere mannen, die wel een mulo-
opleiding hadden afgemaakt, het zonder doen. Zij werden zelden geprezen voor hun
schrijfwerk en werden vaak als ambtenaar of kantoorklerk uitgescholden voor pennenlikker.
Maar niet alleen auteurs en psychologen zetten elkaar zo aan de kant, dat gebeurde ook wel
eens terloops bij het Koninklijke College Zeemanshoop in Amsterdam. Toch gek, dat juist
daar zo’n tuinders kwalificatie viel te beluisteren. Dat deden dan oud-kapiteins van de
bekende rederijen als Stoomvaartmaatschappij Nederland, Koninklijke Rotterdamsche Lloyd,
H.A.L en KNSM. Nou, ja dat kwam misschien omdat ze na hun pensionering graag in hun
moestuin schoffelden. Want ze hadden beter de kwalificatie: Hij is door de kluisgaten aan
boord geklommen, kunnen bezigen. Die bezit in elk geval een maritieme achtergrond.
Het was geen kritiek op hun zeemanschap want dat was van kapiteins van de koude grond
onovertroffen. Maar die kritiek betrof hun omgangsvormen. Die waren er door hun beginjaren
in het foksel verruwd. Zij waren niet salonfähig en aan hun algemene ontwikkeling ontbrak
vaak ook het nodige.

De Nederlandse samenleving is vanouds allesbehalve militaristisch. In tegenstelling tot
voorheen (?) landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland. Maar het uniform drong toch ook
bij ons toch wel respect af. Status is belangrijk en dat dien je met uiterlijk vertoon aan te
geven. Vroeger vooral in gedrag, in taalgebruik, in dure kleding en allerlei prijzige
accessoires. Eind achttiende begin negentiende eeuw kwam daar ook het dragen van een
uniform bij. Een periode van doorlopende oorlogen.
Toen de industriële revolutie de samenleving op zijn kop zette, ging dat gepaard met nieuwe
beroepsactiviteiten. Die waren uit op prestige en erkenning, vooral omdat er in conservatieve
kring weerstand was. En dat dwongen ze af, zo dacht men, door geüniformeerd gekleed te
gaan. Zo ging personeel van nieuwe (overheid)diensten als de PTT en de spoorwegen een
uniform dragen. Hoe belangrijk de directie van de PTT die uniformering vond, bewijst het
kledingvoorschrift voor een directeur van een postkantoor. Zo werd in 1855 verordonneerd
wat hij bij een representatieve gelegenheid diende te dragen. Voor de provinciehoofdsteden en
gemeenten met meer dan twintigduizend inwoners bestond dat uit:
“Een gekleede frak van donker blauw laken, volgens de snede van het kleine costuum der
Minister, met witte zijde gevoerd (-) met goud, ter breedte van zes Nederlandse duimen, op de
kraag, opgeslagen en taschen der zakken geborduurd; eene rij geele knoopen met eene
gekroonde W; wit casemier vest, en witte of donker blauwe pantalon, de eerste voorzien van
een gouden galon; voorts driekante hoed met gouden lis en oranje kokarde.” Uiteraard liepen
lagere P.T.T ers er minder opgedoft bij. Maar een postbesteller voelde zich toch in zijn
eenvoudig uniform toch ook een man met status.
Voorts gingen verpleegsters een uniform dragen. Terwijl de politieagent een meer
indrukwekkend uniform aangemeten kreeg. Uiterlijke schijn want daarachter zat maar al te
vaak een weinig fraaie werkelijkheid. Een Amsterdamse politieagent werd begin twintigste
eeuw schandalig onderbetaald. Commissaris Voordewind beschrijft in zijn memoires hoe toen
agenten een hekel hadden aan nachtdienst in de winter. Niet omdat er dan vaak ingegrepen
moest worden maar omdat dan hun kinderen kou zouden lijden. Hun uniformjas werd vaak als
(extra) deken over hun bed gelegd. Nu is het politie uniform vooral bedoeld voor bescherming
en dan bepaald niet tegen de kou.
De koopvaardij en dat was niet meer zeilvaart maar stoomvaart, bleef daarbij niet achter. De
zeeman had buiten de maritieme gebieden van ouds onder de landrotten een lage status. Dat
stak vooral omdat meer en meer scheepsofficieren uit het achterland kwamen. Dus werd het
dragen van een uniform aan boord en aan de wal verplicht. Maar wel minder opgetuigd dan
dat van een postkantoor directeur. In een koud klimaat was dat een donkerblauwe jas en broek
en in de tropen was dat wit. Met een pet met het embleem van de maatschappij. De rangorde
in gezag werd aangegeven door goudgalon strepen op de mouw en op de epauletten. De
kapitein had er vier met een krul. Nu wordt op de koopvaardij helemaal geen uniform meer
gedragen. Alleen op de passagiersschepen en dan eigenlijk alleen voor de show, want zo
worden ze nog steeds door de passagiers bewonderd.

Columbus Metropolitan Library, Public domain, via Wikimedia Commons


Status zichtbaar accentueren blijft een menselijke onhebbelijkheid. Maar dat doe je niet meer
in een uniform en voor zover het noodzakelijk is, is het functioneel en mist het elke glamour.
Want gezag uitoefenen roept veel weerstand op en moet tegenwoordig door ingrijpen worden
afgedwongen. Wie nu status najaagt zoekt het vooral in dure, extravagante kleding en allerlei
attributen zoals dure horloges, tassen, dure kleding enz. Want onderscheid zal er zijn. Dat is
van alle tijden.

Leeuwarden 2023