Skip to content
Home » Artikelen » Volk zonder uren

Volk zonder uren

Niet alleen een Rolex was te duur

Volk zonder uren is de titel van een boek van Evert Zandstra (Lippenhuizen 1897 – Wageningen 1974). Opgeleid als onderwijzer, schreef hij eerst in het Fries enkele novellen en toneelstukken, maar stapte algauw over op het Nederlands. Zo kon hij met het schrijven van romans, toeristisch en historisch werk van zijn pen leven. Daaronder waren een aantal streekromans, in het midden van de vorige eeuw een populair genre, die speelden in het zuidoosten van Friesland. De streek waar hij vandaan kwam en waarin hij de sociale misstanden in de turfwinning beschreef. Zoals in zijn roman “Volk zonder uren” die in 1949 verscheen.

Het werk in het veen was zwaar en leverde niet meer dan een hongerloon op en dan alleen nog maar in de zomermaanden. De veenarbeiders woonden met hun gezin in plaggenhutten, ook wel spitketen genaamd. Men leefde onder erbarmelijke omstandigheden. De levensverwachting was laag, de kindersterfte lag hoog en er was veel drankmisbruik. Er was veel opgekropte woede en er braken regelmatig wilde stakingen uit waarop dan de marechaussee werd afgestuurd.

De veenarbeiders maakten lange dagen. Zelf hun werktijd bijhouden konden ze niet. Ze waren een volk zonder uren. Alleen de stand van de zon gaf hen enig houvast en voorts de lawei. Een hoge paal waarin een kapotte korf of emmer gehesen werd. Ging die naar beneden dan was het schafttijd of het einde van de werkdag. Het was de veenbaas die de korf of emmer hees of liet zakken en hij nam het vaak niet zo nauw met de arbeidstijd. Maar zich daarover beklagen kon je beter nalaten. Toen in 1960 in Drachten, ooit ontstaan als verveningsdorp, een schouwburg annex sociaal – cultureel werd geopend, werd als verwijzing naar het verleden voor de naam van Lawei gekozen. Die daarmee de invulling van de vrije tijd aangaf. 

Voor een juiste tijdaanduiding was er de kerk-, en stadsklok. De eerste klokken verschenen  in de zevende eeuw in kloosters en kerken waarvoor speciaal torens werden gebouwd om het geluid beter te laten verspreiden. Deze kerkklokken riepen op tot kerkbezoek en tot gebed en zorgden zo voor regelmaat en voor een vaste dagindeling.  In de veertiende eeuw verschenen de eerste torenuurwerken en konden de klokken nauwkeuriger het verstrijken van de tijd aangeven door elk uur of vaker te slaan.

Maar algauw moest de kerk haar monopolie in de steden delen met de wereldlijke overheid. 

Ondertussen waren namelijk steden opgekomen en voor het functioneren van het bestuur waren klokken onmisbaar. Zo kon naast het aangeven van de tijd het stadsbestuur communiceren met zijn bewoners. Wanneer er bijvoorbeeld een raadsvergadering, of een rechtszaak was. Maar ook voor het slaan van alarm waarbij de bewoners zich moesten verzamelen, zoals bij brand – door de houten huizen met strodak kon een groot deel van de stad in as gelegd worden- of wanneer een vijand in aantocht was. Dan werd de overal hoorbare noodklok geluid.

En dan was er ook nog de minder dominante poorterklok die geluid werd als ’s morgens de poorten open en ’s avonds dicht gingen. In Dokkum werd vooraf aan de poorterklok, slechts gedurende twee minuten, het meidenklokje geluid. Dat klokje was bedoeld om de meisjes en hun vrijers te waarschuwen dat het uit was met hun herdersuurtje en dat om tien uur de poorten gesloten werden.

Soms was een stad zo welvarend dat zij een carillon aanbracht om zo het verstrijken van de tijd met een eenvoudig deuntje op te fleuren. Daarvoor waren wel een viertal bronzen klokken nodig. Maar vanaf de zestiende eeuw werden – door de gestegen welvaart – in sommige steden carillons, bestaande uit drieëntwintig klokken, geïnstalleerd, waarop een beiaardier bekende of door hem gecomponeerde muziek kon spelen.           

De rijken der aarde hielden graag zelf hun tijd bij en dat kon pas vanaf het begin van de zestiende eeuw met uurwerken die voorzien werden van een veermechanisme. Zo konden ze hun dagelijks vermaak regelen. Het uurwerk werd toen mede een statussymbool en dat is het tot op de dag gebleven.

Met de industrialisatie veranderde het besef van tijd. Tijd is geld en bazen gingen rekenen in werkuren. Zowel in de fabriek alsook op het land. Nu tijd geld waard was, moest die goed in de gaten gehouden worden. Dat deden fabrikanten door in hun vest een groot opvallend zakhorloges te dragen. Zo’n vestzakhorloge was tevens een symbool van hun succes en werd met bijbehorende ketting liefst in goud uitgevoerd. Zo’n uurwerk was voor de gewone man niet te betalen maar daarnaast belemmerde die knol ook elke lichamelijke inspanning. Degene die dat droeg zette anderen aan het werk, dat was overduidelijk. Hiermee was het onderscheid tussen rijken, vaak nouveau riche die het letterlijk breed lieten hangen en armoedzaaiers duidelijk gemarkeerd. In socialistische bladen was het karikatuur van de gehate kapitalist dan ook een dikbuikige, volgevreten manspersoon met een opzichtig horloge en een gouden ketting.  

Horloge; Isabelle Grosjean ZA, CC BY-SA 3.0 http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/, via Wikimedia Commons

Met zulke horloges kon een dame zich niet vertonen. Desondanks wilden ook zij wel weten hoe laat het was. Vooral omdat zij zich nogal eens verveelden en dan duurt een dag lang. Het was Caroline Bonaparte, koningin van Napels, die in 1810 een uurwerkmaker opdracht gaf een minuscuul horloge te ontwerpen dat niet opviel en dat ook als sieraad gecamoufleerd kon worden. Hij slaagde daarin en zo werd ook bij dames het horloge populair.

In het begin van de twintigste eeuw gaf een rijke Braziliaan Louis Cartier, de Franse juwelier en horlogemaker, opdracht om een horloge te maken, dat hij als piloot kon dragen. Zodat hij tijdens zijn vlucht nog de tijd kon bijhouden. Cartier kwam met een horloge dat met een leren riem om de pols bevestigd werd. Het werd het eerste polshorloge dat zijn verspreiding te danken heeft aan de Eerste Wereldoorlog. In die loopgravenoorlog moesten al die zinloze bestormingen gelijktijdig beginnen. Zo kregen de Engelse officieren een polshorloge uitgereikt, waardoor het mogelijk werd om precies op zes uur een massale stormaanval in te zetten. Uiteraard moest het horloge wel goed lopen en op tijd opgewonden worden. Voor zover ze het overleefden mochten de officieren na de oorlog hun polshorloge houden. Verscheidene manschappen hadden de polshorloges van hun officieren die gesneuveld waren, ingepikt en zo konden ook zij met een polshorloge pronken. Want het polshorloge werd, nu meer dan ooit een statussymbool. Het is voor de nouveau riche, voetbalsterren en andere BN ers het attribuut geworden om aan te geven dat zij het hebben gemaakt in het leven.  Ook al is het pronken met een Rolex voor de tv niet zonder gevaar zoals bij enkele overvallen is gebleken. Terwijl de jeugd van nu geen horloge meer nodig heeft om te weten hoe laat het is, maar daarvoor op hun telefoon kijken.

Maar er zijn nog exclusievere merken waarmee je niet voor de tv loopt te showen, want die zijn er om er mee in een select gezelschap te verschijnen. Jaren geleden ben ik ooit als verslaggever door Schuttevaer naar een zeer exclusieve presentatie van een horlogefirma uit Zwitserland – de naam ben ik vergeten – gestuurd die Jacques Cousteau, de legendarische Franse duiker met zijn onderwateractiviteiten sponsorde. Dat bedrijf verkocht horloges die meer dan een miljoen kostte en er waren lieden aanwezig in een pand op de Heerengracht in Amsterdam die er uitzagen alsof zij best (nog) een exemplaar konden aanschaffen. Een journalist van het Parool en ik keken elkaar aan en zeiden tegen elkaar in wat voor wereld zijn wij hier beland! Een wereld die duidelijk zichtbaar de onze was. Wij droegen een horloge dat hij op de Albert Cuyp en ik op de Dapper markt voor een paar Euro hadden gekocht, zoals wij grijnzend tegen elkaar zeiden en waarmee wij toch goed bij de tijd waren.  

Het tijdbesef is heden ten dage weer veranderd. Een groot deel van de bevolking is ingesteld op een 24 uurs economie. Vaste tijden zijn er nog maar weinig. Wij zijn nu pas echt een volk zonder uren geworden.

Leeuwarden2024